sermons and lectures

sermons and lectures given by Arjo Klamer to a diversity of congregations

Geloof als een deugd

by Arjo Klamer 
NCRV: dienst zondagmorgen 9 uur op radio 747AM, Woord op zondag

Wat is het goede doen? Gewoon, iedere keer weer? Hoe sta ik in het leven? Hoe goed ga ik met andere mensen om, met mijn werk, met mijn ziekte, met mijn pijn, en met mijn vreugde? We doen het goede in kleine en grote momenten. Hoe je het ook wendt of keert, goed doen heeft te maken met een bewust en deugdzaam leven, met het vermogen om in overeenstemming met de belangrijke deugden te leven. Een van die deugden is geloven, het vermogen en ook de durf te geloven. Misschien klinkt dat gek wanneer ik dat zo stel, maar laten we eens met elkaar bezien hoe geloof een deugd kan zijn, en daarmee een leidraad voor het leven van alledag.

Gezang 401: 1,3, 4. Eeen vaste burcht is onze God 
Lezing Job 1: 6-22 
Psalm 25: 1, 2, 4. Heer ik hef mijn hart en handen op tot u

Overdenking:

“Ik moet er echt in geloven alvorens ik mee ga. En dat doe ik nog niet.” Dat zei de zakenman na een lang gesprek. Hoezo geloven? Is het business plan dan niet overtuigend? Zijn de cijfers niet duidelijk genoeg. “Nee”, zei hij en hij keek me indringend aan, “dat geloof ik allemaal wel. Maar ik moet in jou geloven; ik moet kunnen geloven dat je allemaal gaat doen wat je zegt dat je gaat doen. En daar ben ik nog niet zo zeker van.”

Gelooft u . .in wat u doet? Nu, op dit moment? Handelt u uit overtuiging wanneer u luistert, of doet u het uit gewoonte, uit vrees misschien? Gelooft u in uw werk, in de organisatie waar u voor werkt? Gelooft u in uw huwelijk? Gelooft u in de ander? Gelooft u in dit land? Of bent u een van de velen die dat geloof kwijt aan het raken is, of al kwijt is?

Zij gelooft in mij, zingt Andre Hazes. Dat doet wat: zij gelooft in mij. Gelooft een ander in u?

Het grote geloof gaat natuurlijk over het geloof in God. “Ik geloof in God, de almachtige Vader, – schepper van hemel en aarde, – en in Jezus Christus, zijn enige Zoon.” Geloven is amen zeggen bij het horen van Gods boodschap. Amen is immers afgeleid van het Hebreeuwse woord voor geloven. Zeg amen en u zegt: ik geloof. Vandaag de dag is dat geloven allesbehalve vanzelfsprekend. Waarom zou u geloven? Het blijkt ook heel goed te gaan met al die mensen die geen amen meer zeggen, en Gods boodschap links laten liggen. Waarom zou een Herman Phillipse, de filosoof die zich als overtuigd atheïst laat kennen, het slecht doen?

Het verhaal van Job dat we zoeven lazen, gaat over dat grote geloof. Het blijft een verbijsterend verhaal. Hoe kan God het zover laten gaan? Hoe kan hij de Satan zo ver laten gaan dat Job alles en iedereen van betekenis moet verliezen? En hoe houdt Job dat vol? Je spullen verliezen, is nog daaraan toe, Maar dan te horen krijgen dat je kinderen omgekomen zijn; wie kan dat lot overleven? En wat doet Job? Hij verscheurt zijn kleren, scheert zich kaal, werpt zich neer in het stof, en accepteert zijn lot. “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.” Amor fati. Houdt van uw lot. Wat een kracht. Het is dezelfde kracht waarmee Etty Hillesum, de Joodse vrouw, haar lot tegemoet ging in de Tweede Wereldoorlog. Zij maakte niemand een verwijt en accepteerde haar lot, gelovend in God.

Hoe moeilijk het is, vast te houden aan dat grote geloof wanneer het noodlot toeslaat, vertelt het verhaal van Job. Job gaat diep. Hij vervloekt zijn lot. Hij wil eerst niet horen wat zijn vrienden hem voorhouden. Om moedeloos, nee, wanhopig van te worden. Maar juist in die wanhoop, beleeft Job wat dat geloof van hem werkelijk betekent.

Dat is het grote geloof. Dat is het geloof dat ons bij staat in tijden van crisis. Maar hoe doen we het in de kleine momenten, in de momenten van alledag. In het werk, in een huwelijk, in de politiek? Wat betekent het geloof dan?

Wanneer ik iets zeker weet, hoef ik het niet te geloven. Maar waar ben ik zeker van? Hoe zeker bent u van alles dat u denkt te weten? Andre Hazes zong uit volle borst “zij gelooft in mij” omdat hij ook wel wist dat zijn vrouw tegen beter weten in handelde. Hij wist zelf maar al te goed hoe onmogelijk hij zelf was, hoe onvoorspelbaar zijn gedrag was. En toch geloofde zij in hem.

Hoe meer we gaan denken, hoe meer wetenschap we bedrijven, hoe meer we realiseren hoe onwetend we zijn. Niemand weet wat deze dag voor ons in petto heeft. Toch gaan we haar weer aan. Hoe goed ken ik mezelf? Weet ik waar ik allemaal toe in staat ben? Ik vrees van niet. Soms twijfel ik enorm aan mijn kunnen. En hoe goed ken ik die ander eigenlijk? Kan ik op hem aan? Geregeld word ik teleurgesteld door mensen. Blijkbaar weet ik ze verkeerd in te schatten. En toch probeer ik het weer, steeds weer. Hoe heb ik het ooit aangedurfd met dat huwelijk van me? De eerste keer was het fout gegaan. Hoe kan ik geloven dat het nu wel goed gaat? Ik was me indertijd maar al te bewust dat ik een sprong maakte, een sprong in de duisternis. Het is de sprong waarmee de Deense filosoof Kierkegaard het geloof karakteriseert. Geloven is springen als je het niet zeker kan weten. En wanneer weet je iets zeker?

Je zou kunnen zeggen dat in ons dagelijks handelen we steeds kleine, en soms grote, sprongen moeten maken. Niet springen is niet goed; te ver en te ondoordacht springen is dat ook niet. Geloven, het springen, kan je daarom een deugd noemen. Je moet kunnen geloven om een huwelijk aan te gaan, een winkel te beginnen, een verhaal te houden, en politiek te bedrijven.

Zo geloven, zo springen, heeft alles te maken met vertrouwen. Het Latijnse fides wordt vertaald als geloof maar betekent vooral betrouwbaarheid. Het Engelse “faith” betekent geloof maar ook vertrouwen. Als ik in een ander geloof, dan spreek ik mijn vertrouwen uit. Op grond waarvan zou ik iemand vertrouwen? Dat kan nooit geheel op basis van mijn kennis zijn. Onwetendheid blijft troef. Ieder vertrouwen impliceert een sprong.

Geloven heeft ook met identiteit te maken, met weten wie je bent. Wanneer iemand niet weet waar hij of zij voor staat, steeds van gedachten verandert, van de ene baan naar de andere springt, en voortdurend van partner wisselt, kunnen we zeggen dat diegene geen duidelijke identiteit heeft. Dat geldt ook voor een land. Van dit land, Nederland dus, wordt gezegd dat ze worstelt met haar identiteit en dat is omdat onduidelijk is waar ze voor staat, wat haar bewoners bindt, wat het gemeenschappelijke verhaal is. Het lijkt wel eens of wij Nederlanders een beetje de kluts kwijt zijn, en daarmee het geloof in een eigen identiteit. Gelukkig zien we links en rechts bewegingen om te werken aan dat geloof, om de sprong weer te wagen.

Geloven doen we vanuit een verleden. Zeker weet ik dat niet, maar ik geloof dat mijn verleden mij gevormd heeft en dat mijn bewustwording van dat verleden een belangrijke grond is voor mijn vertrouwen in de toekomst. Het is een geloof waar ik overigens pas recent bewust van ben geworden. Als opgroeiende jongeling dacht ik het goed te kunnen zonder dat verleden, dat ik dat verleden net zo goed kon negeren. Dat denk ik nu niet meer. Ik heb bijvoorbeeld mijn vader en mijn moeder nodig; en wanneer ik denk over deze samenleving doe ik dat steeds bewuster in het besef van haar verleden. Het doet er gewoon toe waar we vandaan komen. Ontbreekt het u aan geloof in uzelf, in uw omgeving, dan is mijn advies om u bewust te worden van alles dat u of die omgeving gevormd heeft, van het verleden dus. Daarom is geschiedenis zo belangrijk. Daarom is het zo goed dat we in dit land weer met de canon bezig zijn.

Geloven kan je teveel en te weinig. De pessimist gelooft te weinig. Zo nu en dan een ja .. maar is verstandig. Een aanhoudende ja. . maar kan dodelijk zijn. Het gevaar dat steeds weer op de loer ligt is dat van het cynisme. Laatst vertelde iemand mij dat toen ze te horen kreeg dat Sinterklaas niet echt bestond, ze besloot dat dan God ook niet kon bestaan. Was ze over die Sinterklaas voorgelogen, dan zou dat ook wel het geval zijn met al die verhalen over God. Het zou logisch zijn om vervolgens het geloof in wat dan ook op te zeggen. Doe je dat, dan wordt je cynisch. Dat was deze persoon gelukkig niet. Blijkbaar kon ze nog wel geloven in zichzelf, en anderen om haar heen. Het springen had ze niet totaal afgezworen. Stel je eens voor dat iemand dat wel zou doen? Dat zou het leven onmogelijk maken.

Maar je kan ook teveel geloven, te overtuigd zijn van het eigen gelijk. Iemand die stevig gelooft in het eigen verhaal, kunnen we een rotsvaste overtuiging toedichten; zo iemand heet onverzettelijk te zijn, gedreven ook. Maar gaat iemand te ver, dan spreken we over een fanaticus, een geloofsdwaas. Bij het lezen van de biografie van Abraham Kuyper, de man die voorging in de schoolstrijd aan het einde van de negentiende eeuw, de oprichter van de Anti-revolutionaire partij, van de gereformeerde kerk en van de Vrije Universiteit-werd ik afgeschrokken door de meedogenloosheid en ook liefdeloosheid waarmee hij zijn geloof in de praktijk wilde brengen. Ik doe hem ongetwijfeld geen recht door hem zo te karakteriseren want uiteindelijk was hij in staat om te gaan met anders gelovigen, zoals de katholieken en de liberalen. Maar hij komt hard over. Hard zijn ook de moslims die bereid zijn over lijken te gaan om hun geloof te bewijzen. Het geloven gaat te ver, wanneer de andere goddelijke deugden, die van de hoop en de liefde, verzaakt worden.

Daarom is geloven een deugd. Het was de deugd van Job die hem staande hield in een tijd van crisis. Hij geloofde niet te weinig, maar ook niet zoveel dat hij geen twijfels kende en meedogenloos en liefdeloos werd. Om goed te doen, moeten we kunnen en weten te geloven. Niet teveel en niet te weinig. Neem een voorbeeld aan Job, zou ik zeggen. Durf te geloven in de ander. Durf te geloven in uzelf. Durf amen te zeggen. En dus zeg ik het in volle overtuiging:

Amen.

Gebed: In deze wereld is het maar te gemakkelijk U te verloochenen-om het leven zonder geloof aan te gaan. Waarom zouden we geloven? Het gaat toch zo goed? Wat een arrogantie? Zonder geloof staan we te wankelen en te wiebelen op onze benen, en hebben we geen vaste grond onder de voeten.

Heer, sta ons bij. Laat Uw aanwezigheid gelden. Opdat we op U kunnen vertrouwen, en bouwen. Dat wij weten dat U een vaste burcht zijt. We hebben U nodig-om dit leven aan te kunnen, op de kleine en op de grote momenten. En om bewust te zijn van het grote mysterie dat dit leven voor ons blijft. Wij danken U voor Uw genade, voor Uw liefde en voor het vertrouwen dat we in U mogen hebben. Amen

Lied 304: God is getrouw, zijn plannen falen niet.

Bron

Jeroen Kock. Abraham Kuyper. Boom, 2007.

Het goede doen

13 jan 2008

by Arjo Klamer 
NCRV: dienst zondagmorgen 9 uur op radio 747AM, Woord op zondag

Voorwoord

De volgende overdenkingen zijn ingegeven door de deugdenethiek. Onze voorouderen wisten niet beter dan dat ze dienden te leven naar de zeven deugden. Van de oude Grieken hadden ze de vier kardinale deugden geleerd: verstandigheid, gematigdheid, moed en rechtvaardigheid. Paulus en andere christelijke denkers voegden daar de drie theologische deugden aan toe: geloof, hoop en liefde. Beginnende in de negentiende eeuw verdwenen deze deugden uit het zicht. De moderne mens richtte zich liever op de moderne ethiek van denkers als Immanuel Kant met regels als doe anderen niet aan wat jezelf niet aangedaan wilt worden.

De afgelopen jaren beleven we een nieuwe belangstelling voor de deugden. Het dagblad Trouw is in januari van 2008 begonnen met een wekelijkse serie. Zelf raakte ik op het spoor van de deugden dankzij vriendin en collega econome Deirdre McCloskey. Zij betoogt dat de zeven deugden bepalend zijn voor ons gedrag zowel in de economie als daarbuiten. Zij breekt daarmee met de gangbare opvatting dat moreel gedrag niets met economisch gedrag te doen heeft. (Voor wie geïnteresseerd is, haar veelgeprezen boek The Bourgeois Virtues, University of Chicago Press, 2006, behandelt de zeven deugden uitputtend.)

In de programma’s van Academia Vitae, een nieuwe universiteit in Deventer, doen we inmiddels veel met de deugden. Ze blijken een goede richtlijn voor het dagelijks handelen. (Zie www.academiavitae.nl)

In deze overdenkingen tracht ik de deugden als leidraad te nemen om antwoord te vinden op de vraag: Hoe te leven? De neiging is om naar de grote momenten van het leven te kijken, de momenten van leven en dood. Ik wil met u vooral nadenken over de rol van deugden in de kleinere momenten. Het gaat mij dus om de dagelijkse handelingen. Wat is goed in het kleine? Doet u er goed aan om uw buurvrouw met wie u in onmin leeft, te groeten? Is het goed uw emoties te tonen ten overstaan van uw kinderen? Zijn u en ik wel voldoende bewust van wat we in winkels kopen? En hoe doen we op het werk? Het gaat mij om gewone kwesties. En om de deugden die er toe doen.

Inmiddels ben ik overtuigd dat een leven dat niet op een of andere manier uitdrukking geeft aan al de zeven deugden, een gemankeerd leven is. Een Holleder (de ontvoerder van Heineken en onlangs veroordeeld voor afpersing) is ongetwijfeld verstandig en moedig, maar het ontbeert hem, zo lijkt het, aan rechtvaardigheidsgevoel en, naar ik vermoed, aan liefde. Maar wie is wel compleet? Leven is een kwestie van balanceren met de zeven deugden.

Ik hoop van harte dat deze overdenkingen u kunnen inspireren. Herkent u zich? Ik ben benieuwd.

Ik dank de redactie van Woord op zondag voor de stimulans om mijn gedachten uit te werken in deze overdenkingen. Ik beschouw het een voorrecht dit als niet theoloog te mogen doen.

Wat is een deugdzaam leven?

Wat is het goede? Wanneer doen u en ik het goed? We hebben natuurlijk de tien geboden, maar die zijn toch gauw te algemeen om als richtlijn te dienen in het dagelijks handelen. Dat geldt ook voor de thema’s waar het over gaat wanneer we het hebben over het goede doen. Ik denk dan aan zorg voor het milieu en begaan zijn met het lot van de armen. Het wordt direct zo groot, zo allesomvattend. Kan het om iets kleiner gaan, om iets wat ons dagelijks leven betreft? Gewoon, over hoe u en ik vandaag met onszelf en met anderen omgaan. Hoe doen we dat goed? Voor deze en de komende drie overdenkingen wil ik een oude wijsheid uit de kast halen om te onderzoeken of die richting kan geven aan ons dagelijks handelen. Het betreft de zeven klassieke deugden. Weet u welke dat zijn? Je kan ze afgebeeld zien op menig oude gevel en in oude boeken. De meeste mensen die ik dit vraag, weten het niet. Welnu, de vier kardinale deugden zijn: verstandigheid-prudentia-, gematigdheid-temperantia-, moed-fortitudo- en rechtvaardigheid-justitia. Voeg daaraan toe de drie theologische of goddelijke deugden–geloof, hoop en liefde-en je hebt de zeven deugden waar onze voorouders mee opgroeiden. Ik wil met u onderzoeken wat die deugden vandaag de dag voor ons kunnen betekenen. Laten we beginnen met op de vier kardinale deugden.

Psalm 112: 1, 2, 3. God zij geloofd 
Schriftlezing Matteus 12: 1-13 
Gezang 471: 1, 2, 3. Ik heb gejaagd.

De jongen deed het niet erg goed. Althans dat dachten velen in zijn omgeving. Hij presteerde weinig; hij was al meerdere malen aan een studie begonnen en hield er steeds mee op, hij dronk te veel, hing maar wat voor de televisie en weigerde een hand uit te steken. Hij maakte geregeld racistische opmerkingen over allochtonen, en wilde veel geld te verdienen, liefst zonder daar al te veel voor te doen.

Wat doe je dan? Wat zeg je tegen zo’n jongen? Laat je hem zijn gang gaan? Spreek je hem stevig toe? Geef je hem een knuffel? Of rammel je hem door elkaar? Wat te doen? Wat is het goede in dit geval?

Hoe goed doe ik het? Ben ik mijn vrouw wel erkentelijk geweest voor wat ze voor mij gedaan heeft? Reageerde ik goed genoeg op de uitbarsting van een dochter? Ded ik er goed aan een uitnodiging voor een lezing te aanvaarden terwijl ik al zoveel op mijn bord heb liggen en mijn kinderen soms opmerken dat ik zo weinig thuis ben? Hoe kon ik zo onoplettend zijn dat ik die fietser bijna de weg afdrukte? En waarom let ik zo weinig op wat ik koop? En bij wie ik wat koop? Enzovoort.

Als we het in de kerk, maar ook daarbuiten, over goed doen spreken, dan gaat het gauw over het milieu, over armoede, over ontwikkelingswerk. Goed doen betekent dan mensen helpen. Ik stel voor niet direct te groot te denken. Goed doen is even niet naar Afrika gaan om mensen in nood te helpen, vrijwilliger worden voor een of ander goed doel, veel geld weg geven, de auto de deur uit doen en in een hutje op de hei gaan wonen om energie uit te sparen. Nee, ik wil het met u hebben over het goed doen in het dagelijkse leven, thuis, op straat, op het werk. Wat te doen wanneer u te maken heeft met iemand die weinig van zijn leven weet te maken, wanneer iemand u een gunst doet die u moeilijk kan waarderen, wanneer u een buur heeft die maar niet wil groeten, of wanneer collega’s op het werk flink met de ellebogen bezig zijn.

De vraag is wanneer we het goed doen in de dagelijkse min of meer kleine momenten. Hoe weten we dat we het goed doen?

De kerk heeft tegenwoordig een slechte reputatie vanwege haar vermeende strengheid in morele zaken, vanwege de opgeheven vinger en de gebiedende stem van de dominee, of de priester. Het is de toon van de tien geboden die velen afschrikken. Het is de gebiedende toon van “Pleeg geen moord”, “Houd de sabbat in ere”, “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, “Zet uw zinnen niet op het huis van een ander”. Je hoort de dominee met een striemende stem de gemeente geselen met waarschuwingen en aanmaningen, en ziet de vader die zijn zoon met een zwaaiende vinger gebiedend toespreekt. Jij zult niet drinken, en je zult niet . . vul het zelf maar in.

Maar, zo wil ik u voorleggen. wat moeten we met die tien geboden in het dagelijkse leven? Wat kunnen we ermee als leidraad voor de min of meer kleine momenten?

Heb uw naaste lief, zegt het Nieuwe Testament ons. Een goede opdracht natuurlijk. Maar wat doe ik ermee als ik wil weten wat te doen wanneer die jongen die er zo weinig van bakt, mijn zoon is, of een student? Hem liefhebben? Wat doe ik dan? Hem een knuffel geven of rammel ik hem juist door elkaar? U mag het zeggen.

De Farizeeërs zwaaien bestraffend naar Jezus met hun vinger. Hij overtreedt immers het vierde gebod als hij zijn discipelen op de sabbat aren laat plukken, en, erger nog, een man geneest. Op de sabbat zult gij niet werken, zo is het gebod. Regels zijn regels, zo houden de Farizeeërs hem voor. Zo heeft God, Zijn Vader, het bedoeld. Het gedrag van Jezus komt arrogant over. Want waarom zou hij zich niet aan de regels houden waar een ieder ander zich aan houdt?

Jezus geeft op dit niet al te grote moment een belangrijke les. Ook al is het gebod gebeiteld op steen, de werkelijkheid blijft bewerkelijk. Met een strenge en rechtlijnige uitleg komen we er in vele gevallen niet. De opdracht onze naaste lief te hebben, kan zwaarder wegen dan het vierde gebod, zoals wanneer het om een zieke man gaat. Dat probeert Jezus hier duidelijk te maken. We kunnen ons dus niet blindstaren op regels en voorschriften, en ook niet op de tien geboden. Het volstaat niet te handelen naar wat u opgedragen is door deze en gene. Dat is niet goed. Het goede doen vraagt om meer dan dat.

Wat mij heeft geholpen is me te richten op de klassieke deugden. Een paar jaar geleden begon een collega erover. Ik ben eens naar de oorspronkelijke bronnen gegaan, naar de Griekse filosoof Aristoteles en de grote christelijke denker Thomas Aquinas, en heb daar veel van geleerd. Het zijn er zeven. De drie goddelijke deugden-geloof, hoop en liefde-vinden we rijkelijk beschreven in de Bijbel. Ook zij geven richting aan het dagelijkse leven zoals ik in de volgende bedenkingen hoop te laten zien. Nu wil ik met u de kracht van de vier kardinale deugden onderzoeken, verstandigheid, gematigdheid, moed en rechtvaardigheid. Deze zijn wat moeilijker te traceren in de bijbel en kwamen via onder meer Griekse bronnen tot ons. Ze werden kardinaal genoemd omdat ze als het ware scharnieren zijn voor ons handelen. Het goede gedrag zou dus moeten draaien om de vier kardinale deugden.

Laten we eens zien, om te beginnen met verstandigheid.

Gaat hem om die jongen die de richting kwijt is in het leven, dan is het verstandig om rekening te houden met de omstandigheden, om zoveel mogelijk te weten te komen. Het is bijvoorbeeld belangrijk je bewust te zijn van de rol die je hebt. Een vader doet het anders dan een toevallige voorbijganger. De moeder doet het wellicht ook anders. Verstandigheid vraagt ook rekening te houden met de voorafgaande geschiedenis. De ene jongen is de andere niet.

Gematigdheid is de deugd van maat houden. “Te’ is hier het sleutelwoord. Een vader die het belangrijk vindt stevig te zijn voor zijn jongen, kan te stevig zijn en te weinig stevig. De liefdevolle moeder kan te liefdevol zijn, door bijvoorbeeld na te laten grenzen te stellen. De buurman kan te betrokken zijn en wordt dan bemoeizuchtig. Een deugdzaam leven is koersen op het goede midden. Niet te veel van het goede en niet te weinig.

Om het goede ook werkelijk te doen, vraagt vaak om moed. Komen de ouders na rijp beraad tot de conclusie dat ze hun zoon de deur uit moeten zetten, dan vraagt het moed om dat ook te doen. En als één van hen overtuigd is dat de zoon juist liefdevolle aandacht nodig heeft, dan zal het moed vragen de mogelijke kwaadheid van de ander te trotseren.

Rechtvaardigheid is de deugd recht te doen aan de verhoudingen tussen de mensen. Kreeg een oudere broer de kans om een aantal jaren te experimenteren met zijn leven, dan mag deze zoon dat ook.

Kijken we naar Jezus, op die bewuste sabbat in een klein moment, dan herkennen we zijn verstandigheid. Hij lijkt zich bewust van zijn eigen rol en neemt het op voor zijn discipelen. Hij koos het moment uit om iets duidelijk te maken aan zijn discipelen, aan de farizeeërs en aan ons. Hij is gematigd: hij lapt niet alle regels aan zijn laars. Hij blijft in gesprek en legt uit waarom hij het vierde gebod deze keer anders uitlegt. Moed toont hij door de farizeeërs tegemoet te treden en te staan voor zijn eigen overtuiging. Rechtvaardig is hij in zo ver hij rekening houdt niet alleen met de behoeftes van zijn discipelen maar ook anderen.

Jezus was groot in het grote gebaar. Hij lijkt daarin te groots om Hem na te volgen. Althans ik vrees dat velen van ons in dit leven daar niet aan kunnen tippen. Maar Jezus was ook duidelijk in de kleine gebaren, in het geven van de juiste aandacht, en het goed doen op een dag als de sabbat. In dat kleine gebaar hebben u en ik een kans, om echt het goede te doen bewust van de deugden waar we ons op kunnen richten. Hij zal ons niet vertellen hoe we het moeten doen met die bewuste jongen, of met die afstandelijke buur. Die verantwoordelijkheid ligt bij ons zelf, bij u en bij mij. Wij zullen iedere keer weer de goede afweging moeten maken, het goede midden te vinden. En juist daarin is Hij en blijft Hij het inspirerende voorbeeld.

Gebed

Geef ons de wijsheid om te weten wat te doen. Het is zo verleidelijk, zo gemakkelijk om onbewust, zonder veel na te denken te leven, om ons te laten leven. Laat ons zien wat het juiste midden is, hoe goed te leven. Geef ons de verstandigheid, de matigheid, de moed, het gevoel van rechtvaardigheid, hoop, geloof en boven alles de liefde, Uw liefde. Wij danken u. Amen

Lied Gezang 415: 1, 2, 3. Komt nu met zang en van zoete tonen

De waarde van klassieke werken

1 dec 2007

door Arjo Klamer 
Hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit en decaan van Academia Vitae 
Beyers Naudée lezing, Beyers Naudée Gymnasium te Leeuwarden, December 2007 
Waarom zouden we geïnteresseerd zijn in klassieke teksten en werken? Waarom zouden we de stukken van Sophocles en Euripides willen blijven zien? Waarom zouden we Plato en Aristoteles lezen? En wat te zeggen van de Bijbel? Waarom onze kinderen lastig vallen met de essays van Montaigne, Proust, Virginia Woolf, Jane Austen en Emily Dickinson? Max Havelaar? Bach? Leonardo da Vinci? Jip en Janneke?

Waarom? Tegen al de scepsis en onverschilligheid in roep ik, daarom! Omdat de klassiekers er nog steeds toe doen. Omdat hun gedachtegoed zo diep verweven is met het weefsel dat beschaving heet, dat ze ons blijven voeden, of we dat nu beseffen of niet. Omdat bewuste aandacht er toe bijdraagt dat een klassieker een bron van inspiratie blijft. Omdat een klassieker te denken geeft over wat ons vandaag de dag bezig houdt. Want dat kenmerkt een werk dat we een klassieker noemen: het blijft van waarde. Bewuste aandacht zal er toe bijdragen dat de klassieker vitaal blijft en doorwerkt. Je zou dat het maatschappelijke effect van een daadwerkelijke belangstelling voor de klassiekers kunnen noemen. Aandacht voor de klassiekers drukt ons niet terug in het verleden, zoals de sceptici willen beweren. Ik zou eerder het tegendeel beweren: het wapent ons voor de toekomst.

Waarmee niet gezegd is, dat bestudering van de klassiekers een garantie is voor een goed leven. Een SS officier kon immers in de avond met veel gevoel de cantates van Bach beluisteren om de volgende ochtend zijn beulswerk weer op te pakken.

* * * *

Misschien helpt het als ik kort vertel hoe ik overtuigd ben geraakt van de waarde van klassiekers. Mijn verhaal herken ik in dat van vele anderen, dus wellicht vertelt het iets over het tijdsbeeld van de afgelopen halve eeuw. Na een geestelijke jeugd die me in hogere sferen voerde, viel ik rond mijn dertiende stevig van mijn geloof af. Ik bekeerde me tot de rationele benadering die ik in de wetenschap herkende, met de econoom Jan Tinbergen als het grote voorbeeld. Gedreven als hij was door het ideaal van gelijkheid en rechtvaardigheid had hij een herkenbare missie. Maar hij was vooral een man van de wetenschap die met behulp van wiskunde de wereld in modellen wist te vatten. Zijn missie leek me navolgenswaardig, en die wetenschap van hem kwam me betrouwbaar en stevig over. Ik koos voor econometrie.

Als er een wetenschap is die wars is van klassiekers dan is dat wel de econometrie. In die wetenschap gaat het om de allerlaatste techniek en de nieuwste methode. Het gaat erom grensverleggend bezig te zijn, en dat kan je alleen op de grens van het wetenschappelijke vermogen. Onlangs hoorde ik nog een collega hoogleraar econometrie met trots verkondigen dat hij zijn studenten nooit een artikel laat lezen dat ouder is dan twee jaar. Het werk van economen die u zou kennen, is immers achterhaald en dus hoogstens voer voor historici. Althans dat vindt hij.

In de VS studeerde ik eerst aan Duke, een universiteit in de zuidelijke staat North Carolina. Daar kwam ik in gesprek met mensen in andere disciplines en ontdekte voor mij onbekende werelden. Een historicus liet me zien wat er te winnen was bij historische kennis van de Amerikaanse burgeroorlog, een filosoof wist me ertoe te bewegen de wereld van de Duitse filosoof Hegel te exploreren-hij had per slot van rekening Marx geïnspireerd–, en een sociologe leerde me iets over cultuur, een concept dat nog niet was voorgekomen in de economische handboeken die ik had bestudeerd. Mijn eigen onderzoek zette me aan het denken over de eigenaardigheden van de wetenschap die ik zelf trachtte te beoefenen. Ik begon breder te lezen om te ontdekken hoe weinig ik wist. Het moet de invloed zijn geweest van wat ze daar de liberal arts noemen, de beoefening van de wetenschappen alsook de kunsten naast elkaar. Voor de vorming van de geest, zoals ze dat daar durven te noemen. Ik zelf ervoer deze periode inderdaad als vormend. Zo had ik nog niet eerder gedacht.

Toen ik vervolgens ging doceren aan Wellesley College, een typisch liberal arts college dichtbij Boston (college, dat is de naam voor de eerste vier jaar van de universiteit) , begon het me duidelijk te worden wat een studie in de liberal arts kon betekenen. Zo leerde ik van een Koreaanse studente die naast economie ook architectuur studeerde over het modernisme. Zij associeerde het modernisme met wat de kunsten van de twintigste eeuw lieten zien-de hang naar abstractie, naar wat nieuw en avant garde is, en naar een universele taal die niet gebonden is door plaats, tijd en cultuur-maar ik zag mijzelf en mijn wetenschap in dat beeld. Want ging het daar juist ook niet om zo abstract mogelijk in de universele taal van de wiskunde de werkelijkheid te representeren in steeds maar nieuwe vormen? Het kwam als een inzicht dat me sindsdien niet verlaten heeft. Het streven van Tinbergen en zovele andere economen, zo begon ik in te zien, ademde de tijdsgeest van het midden van de twintigste eeuw die zich onder meer onderscheidt door een geloof in het maakbare, in de rede, in de vooruitgang ook. Ik realiseerde me dat alle denken met de tijdgeest mee verandert.

In die tijd ontdekte ik ook de retorica. Alasdair MacIntyre, een filosoof, had me erop attent gemaakt na het lezen van mijn werk. Tot dan toe had ik daar niet van gehoord. Nu begrijp ik waarom. De modernisten onder wie ik mij had opgehouden, hadden de kunst van het overtuigen afgezworen als een discipline die overbodig was geworden door de toepassing van de logica. Niet dus. Door de retorica te omarmen, ging ik tegen de tijdsgeest in. Ik vond steun bij enkele collega’s in de filosofie, de politicologie en de taalwetenschappen.

Voor mij betekende al die nieuwe kennis een verrijking. Langzaam drong het tot me door dat die nieuwe kennis eigenlijk heel oude kennis was die vele eeuwen terug ging. In het geval van de retorica zelfs meer dan twintig eeuwen, tot het werk van die klassieke filosoof met de naam Aristoteles. Dat ik nu nog kon leren van een eeuwenoude bron, kwam als een openbaring.

* * * *

Een aantal jaren geleden nam ik het initiatief tot de oprichting van een nieuwe universiteit, Academia Vitae, gewijd aan de beoefening van de liberal arts en bestemd voor studenten in alle mogelijke stadia van het leven. De nadruk in haar curriculum ligt op de bestudering van de klassieke teksten, oftewel de bronnen van de beschaving. Juist daarom noem ik de Academia Vitae graag de universiteit van de toekomst, overtuigd als ik ben dat kennis van die werken ons kan uitrusten voor de uitdagingen van het leven en samenleven nu. U ziet, een verhaal kan gek lopen.

Mede dankzij taalwetenschappers realiseer ik me al te goed dat de Academia Vitae indruist tegen de vernieuwingsdrift van de modernisten en de relativering van de zogenaamde postmodernisten die na de modernisten de discussies in het culturele en wetenschappelijke veld beheersen. Waar de postmodernisten alles dat enigszins vaststaat ontrafelen en niets willen weten van een canon, een identiteit, of duidelijke waarden, zou ik me juist sterk willen maken voor het onderzoek naar de waarden die mensen binden, naar de tradities die het heden gevormd hebben, en naar de eigenaardigheid van de rollen die u en ik hebben in dit leven. Hoe belangrijk het losmaken van vastgeroeste beelden ook is, de zucht naar openheid en totale vrijheid kan te ver doorslaan. Bewustzijn van de tradities die ons gevormd hebben, van de invloed van oude gedachten en ideeën, van de geschiedenis ook die mensen delen, biedt tegenwicht tegen het hyper makende gevoel dat alles voortdurend verandert. Kijk, en dat heb ik van die oude rakker Aristoteles geleerd. Oosterse wijzen kunnen u overigens ook aanzetten tot het zoeken naar het voortreffelijke midden, maar ik heb het nu eenmaal van de grote Griekse filosoof.

Horen Oosterse teksten erbij? Tellen de teksten van Loa Tze als een klassieker? Wat te zeggen van Jip en Janneke? Een discussie over wat al dan niet als een klassieker telt, wordt gauw heftig en emotioneel. Dat toont gelukkig de waarde van die klassiekers voor ons. Ik houd het erop dat ieder werk dat haar waarde blijft bewijzen door de generaties heen, een klassieker is. Jip en Janneke zou dat kunnen worden, althans in een Nederlandse context, maar dat zal nog moeten blijken.

* * * *

Persoonlijke verrijking

Daarmee kom ik op een eerste belangrijke reden om klassiekers serieus te nemen: het bestuderen van klassieke werken inspireert. Ze sporen aan na te denken over wat u en mij vandaag de dag bezig houdt. Op de Academia Vitae word ik dagelijks bevestigd in deze overtuiging. Of we nu de Overpeinzingen van Aurelius lezen, Isaiah Berlin over vrijheid, de opstellen van de natuurkundige Feynman, Descartes, de Ethica Nichomachea van Aristoteles of zijn Retorica, een willekeurige dialoog van Plato, naar een film kijken als Dogville van Lars von Trier, of luisteren naar een opera van Wagner, iedere keer wordt ik getroffen door de impulsen die deze werken geven voor het onderzoek van vragen die studenten bezig houden.

Aan de ene kant is er de opwinding kennis te nemen van het gedachtegoed van grote en beroemde geesten. Vooral de professionele studenten die naar de Academia Vitae komen, zijn daar gevoelig voor. Ze zijn meestal blij verrast dat die oude geesten hen zo direct aanspreken. Zo stond een oud bestuursvoorzitter van PriceWaterhouseCoopers, een groot accountantskantoor, versteld dat het eerst ondoordringbare proza van Spinoza na enige uitleg van de Spinoza-kenner Wieb van Bunge, zijn eigen vermoedens over de betekenis van religie en individuele verantwoordelijkheid richting gaf. Het onderzoek van deugdelijk handelen aan de hand van Aristoteles en Seneca leidt veelal tot emotionele confrontaties met morele dilemma’s waarin de studenten zich vinden. Een film als Dogville werkt ontluisterend voor iemand die graag wil geloven in de eigen goedheid, zeker wanneer we de bespreking koppelen aan een werk van Schopenhauer. Een toneelspel van Euripides blijkt akelig modern te zijn, en de eerst raadselachtige muziek van Schonberg kan in de uitleg van de musicus Ralph Raat ongekende emoties losmaken-om vervolgens nog iets over de werking van muziek duidelijk te maken.

Wilt u een welklinkende bevestiging van deze indrukken, dan zou u Matthew Arnolds erop na kunnen slaan, de grote Britse dichter. Zijn Lectures and Essays in Criticism zouden de meer weerbarstige geesten ontvankelijk kunnen maken voor de geneugten van eruditie, van het vermogen de bronnen van de beschaving aan te boren, en het gesprek met de grote geesten aan te gaan. Laats las ik in Machiavelli, een andere bron voor inspiratie, hoe hij zich in een mooi gewaad hees alvorens hij zijn studeerkamer betrad, zo bijzonder vond hij dat gesprek. Ook Montaignes, de Fransman die de kunst van het essay uitvond, kan mij warm maken voor het verkeren in gezelschap van grootse ideeën en gedachten. Waarmee ik maar wil zeggen, dat u mijn pleidooi niet van mij hoeft aan te nemen. Ik leun zwaar op de schouders van zovele zwaargewichten die u en mij voorgegaan zijn. Bronnen van inspiratie te over.

* * * *

Een bijdrage aan het goed leven

Klassiekers kunnen ook richting geven aan het leven in de zin dat ze ons op gedachten kunnen brengen wat te doen, hoe te handelen, oftewel hoe goed te leven. Althans dat is mijn ervaring. In mijn jeugd was de Bijbel de klassieker die deze rol had. En nog steeds wenden mensen zich tot deze tekst om troost te putten, hoop te ontlenen en vertrouwen in een onzekere toekomst. De Bijbel geeft te denken over de betekenis van agape, de al-liefde (een begrip dat mijn jonge studenten en mijn spelling checker vreemd blijkt te zijn), over barmhartigheid ook en genade en verzoening. De Bijbel vertelt de verhalen die diep doorgedrongen zijn in onze ziel, althans zo lijkt het, zozeer dat we ons moeilijk buiten die verhalen kunnen voorstellen. We weten nu dat de geschriften van Lao Tze, de I Ching en vele andere oosterse bronnen gelijksoortige wijsheden bevatten. Ik en Gij van Martin Buber wijst ons op het mystieke van de relatie met de ander, een inzicht dat versterkt wordt in het schrijven van Levinas.

Al deze geschriften confronteren mij met het ondoordachte van het eigen handelen, de vele inconsistenties daarvan ook, en de slapheid, onhandigheid en het onverantwoorde van zovele daden. Door dit inzicht met anderen in gesprekken te delen en door de verbinding aan te durven met het hier en nu, leer ik zonder twijfel beter hoe ik vader wil zijn en vriend, en hoe ik leiding wil geven als hoogleraar en decaan van de Academia Vitae.

De bijbel spoort aan tot geloof, hoop en liefde. Zonder hoop wordt het leven uitzichtloos, zonder geloof zijn we overgeleverd aan de spelingen van het lot en zonder liefde verdwijnt alle glans. Aristoteles, zeker in zijn Ethica, laat mij zien dat voortreffelijk handelen ontstaat uit het vermogen het juiste midden te vinden. Een goede docent heeft aandacht voor zijn student. Dat weet ik. Maar van Aristoteles, en van de uitleg die iemand als Paul van Tongeren van zijn denken geeft, heb ik geleerd dat er ook teveel aandacht kan zijn, bijvoorbeeld wanneer hierdoor de student te weinig ruimte voor het zelf denken heeft, of te weinig, zodat de student zich niet gekend voelt. De voortreffelijke docent heeft daarom precies genoeg aandacht voor zijn of haar student. Een goede vader weet het midden te vinden tussen een overdaad en het gebrek aan sturing. Ik kan mijn kind niet dwingen de klassiekers te lezen, maar ik wil haar ook niet aan haar eigen lot overlaten.

Daarom durf ik te beweren dat bestudering van en het spreken over de klassiekers kunnen bijdragen aan het goed en bewust leven. Maar een garantie biedt een dergelijke toewijding niet. En ik zou ook niet durven beweren dat zonder kennis van de klassiekers het goede leven buiten bereik is. Ik herinner me nog maar al te goed hoe George Steiner, een warm pleitbezorger van de kennis van klassiekers, deze bedenking aankaartte in de televisie gesprekken Van de Schoonheid en de Troost. Hij verwees naar de erudiete SS beul. Zelf denk ik aan alle geleerden die zich tal van klassieke werken hebben eigen gemaakt, en toch vrij huleloos zijn in het dagelijkse leven. Onlangs moest ik nog getuige zijn van grote wanorde en onmin in een gezelschap van mensen die zich verdiept hebben in oosterse teksten en daarbij nog mediteren ook. Al hun wijsheid en goede wil konden een uiteenspatting met veel onaardigheid niet voorkomen. De omzetting van kennis van het goede in het daadwerkelijk ernaar handelen is een voortdurende oefening. Ik zelf heb daar de hulp nodig van verschillende leermeesters: mensen in het hier én de grote geesten uit het verleden wier gezelschap ik steeds weer zoek. Zo leer ik dat het gaat om bewuste aandacht, om “mindfulness” zoals de Oosterse wijze zou zeggen.

* * * *

Maatschappelijke bijdrage

Vanzelfsprekend doen hedendaagse teksten ertoe. Ook ik blijf lezen in de nieuwste tijdschriften, raak gefascineerd door voortschrijdende kennis over de wereld van de natuur, ons lichaam, de vermogens van apen, veranderingen in de politieke en economische wereld en hedendaagse literaire schrijvers. Het nieuwe doet ertoe. Dus ik zou niet zover willen gaan als de mensen van St Johns College in de VS die het liberal arts onderwijs willen beperken tot de bestudering van de klassiekers. Maar in mijn curriculum spelen de klassiekers een vooraanstaande rol niet alleen omdat hun bestudering een persoonlijke verrijking betekent en bij kan dragen aan het goede leven, maar ook omdat gedeelde kennis van de klassiekers van maatschappelijke betekenis is.

Juist in een tijd met een overdaad aan mogelijkheden, met een onmetelijke hoeveelheid kennis die met enkele klikken op ons computer scherm verschijnt, met zoveel nieuwe teksten iedere dag weer, is het van belang bepaalde kennis te kunnen delen met anderen, en het besef te houden dat de nieuwe kennis een geschiedenis heeft, vrijwel altijd ontleend is aan eerdere bronnen, dat wij een beschaving hebben die geweven is met bijdragen van tal van grote geesten door de tijden heen. Juist in deze tijd, met zoveel mensen in deze Nederlandse samenleving die de christelijke religie hebben afgezworen, lijkt het mij van groot belang dat wij de Bijbel serieus lezen, bestuderen en onderwijzen opdat onze kinderen tenminste begrijpen wat hun beschaving gevormd en bepaald heeft, waar hun manier van spreken en denken vandaan komt, en wat het betekent religieus te zijn. Want zonder die kennis, begrijpen we onze eigen cultuur niet, kunnen we de meeste kunstwerken in musea niet begrijpen, maar zijn we ook niet gewapend tegen mensen uit andere culturen die wel een geloof omarmen en zich bekennen tot een uitgesproken religie.

Evengoed is het van belang dat de mensen die leiding geven in welke context ook, zich bewust zijn van de waarden die ons gevormd hebben, van de geschiedenis die aan het heden voorafgegaan is, van de veranderlijkheid van de dingen, en van het eigenaardige van dat wat ons nu bepaalt. Het helpt als bij welke onenigheid ook wij kunnen terugvallen op een gemeenschappelijke bron, om snel door te hebben waar het over gaat, om voorbeelden binnen handbereik te hebben. Dat als ik zeg “dat is ons kruis” of “Sophie’s choice” dat u direct weet waar ik het over heb, dat u dezelfde context kent, zodat we verder kunnen. Dat ik Max Havelaar noem en dat u weet waar hij voor staat, dat iemand iets over de Islam beweert, en dat u en ik daar direct doorheen prikken omdat we beter weten (waarbij ik aanteken dat ik juist daarom meer over de Islam zou willen weten.)

Ook maatschappelijk staat kennis van klassiekers niet garant voor een betere samenleving. Al ben ik overtuigd dat het onderwijs in de liberal arts dat veel Amerikanen hebben gehad mede verantwoordelijk is voor de creatieve kracht van hun samenleving, het moge duidelijk zijn dat ze tal van misstanden en onhebbelijkheden van die samenleving niet weet te voorkomen. Er is meer nodig dan kennis alleen. Ik zelf geef de voorkeur aan de waarden van redelijkheid en rechtvaardigheid die ik in deze samenleving zo sterk aanwezig zie. Maar die waarden houden we niet zo maar vast. Onze kinderen raken ze kwijt als we niet met hen terug gaan naar de vele bronnen die dergelijke waarden verwoorden en gestalte geven. Daarom hebben de klassiekers maatschappelijke waarde.

* * * *

Klassiekers hebben ook wetenschappelijke en kunstzinnige waarde. Of je nu wetenschapper of kunstenaar wil zijn, je doet er goed aan je klassiekers te kennen. Als econoom wist ik wel dat Adam Smith de vader van ons economen werd genoemd, maar pas toen ik zijn Wealth of Nations ging lezen, ontdekte ik wat dat betekende. En toen ik zijn Theory of Moral Sentiments, een boek dat een eeuw lang in de vergetelheid was geraakt, aangereikt kreeg, ontdekte ik dat we hem verkeerd hadden gelezen, dat er een belangrijke culturele en morele kant was aan zijn denken en dat als we die serieus zouden nemen, we een andere kijk op de economie zouden hebben. Voor mij bepaalt dat inzicht mijn huidig onderzoek. Het ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan mijn laatste boek in het Nederlands, In Hemelsnaam! over de economie van overvloed en onbehagen. Ook kunstenaars ontdekken steeds weer in de oude meesters een bron van inspiratie voor hun werk.

* * * *

U begrijpt het: ik maak me sterk voor de klassiekers in het curriculum. De klassiekers maken duidelijk wat de bijdrage van iemand als Beyers Naudé betekent, hoe de christelijke traditie hem gevormd heeft, wat de zijn strijd voor rechtvaardigheid inspireerde. Het gymnasium zou meer dan welke school ook, dienen te staan voor de klassiekers, wellicht meer dan het gymnasium van nu doet. En ik maak me sterk om klassiekers terug te brengen in het curriculum van het wetenschappelijk onderwijs. Het kan niet zijn dat onze studenten zonder enige kennis van Aristoteles, de bijbel, Confucius, Bach, Adam Smith, Einstein en, wie weet, Jip en Janneke, door het leven moeten. Wij, de docenten, doen daarmee niet alleen hen persoonlijk te kort, maar we dragen op die manier ook bij aan het verlies van het gevoel waar we in deze samenleving voor staan.

Dienst regenboogkerk

by Arjo Klamer 
Preek Regenboogkerk te Hilversum: Hoop als een deugd, 13 mei 2007

Liederen: Psalm 98: 1,3; gezang 444: 1,2 en 3; gezang 304:1,2 en 3; Gezang 242: 1,7; Gezang 44: 1 en 3.

Schriftlezingen: Genesis 9: 12-17; Lucas 24: 13-35; Romeinen 8: 22-27

Uitleg en verkondiging

De dakloze zat er weer vroeg bij. Hij had zijn winkelkarretje voor zich uitgestald met een kartonnen doos voor het geld en een kartonnen bord waarop hij had geschreven dat hij mijn geld nodig had met de toevoeging: “I have hope; I have dreams”. “Ik blijf hopen en dromen,” wilde hij me verzekeren. Ik maakte me sterk dat die man daar in die Amerikaanse stad tien jaar geleden ook zat. Blijkbaar had hij ontdekt dat mensen meer geven aan iemand met hoop dan aan een hopeloos mens.

In de VS doe je het goed met een droom. Een droom betekent hoop. “I have a dream,” scandeerde Martin Luther King vanaf het Lincoln memorial en gaf daarmee hoop op een beter Amerika, een Amerika zonder apartheid.

Hopen is niet zo gemakkelijk als het klinkt. De dakloze man heeft nuchter beschouwd in zijn uitzichtloze situatie weinig reden om te hopen, Martin Luther King had dat indertijd ook niet. Mijn vriend durft ook niet meer te hopen.

Hij heeft nu al weer enige tijd geleden gehoord dat hij botkanker heeft. Hij verkeert sindsdien in het medische circuit en praat van de weeromstuit uitsluitend over medicijnen, behandelingen, zijn lichaam, de bijverschijnselen, de lijdensweg die voor hem ligt, over doktoren die geen tijd voor hem hebben, slecht geïnformeerd zijn, het ook niet weten, over zijn medicijn dat 7000 dollar per maand kost—net als ik is hij econoom—, en over zijn werk dat eigenlijk niet meer gaat. Ik begrijp maar al te goed dat dit alles voor hem voorgrond is. Deprimerend is zijn verhaal wel. Alles is even ellendig. Hoor ik dat hij hoe dan ook door moet werken om zijn verzekering niet te verliezen, dan zinkt ook bij de moed in de schoenen.

En toch—ik moest het van hem weten: hoopt hij nog ergens op; betekent hoop iets voor hem in deze toestand? Hij keek me aan alsof ik er niet bij was. Hoop? “Wat koop ik er voor? Ik ga toch dood. Ach misschien zou ik moeten hopen dat het niet al te pijnlijk zal zijn.”

Het meisje van acht hoopt op van alles en nog wat. Zoals op de ipod voor haar verjaardag, een mooie dag, iets leuks op school, een uitnodiging voor een verjaardag, of om later prinses te worden met een droomprins.

Wat is uw hoop? Waar hoopt u op? Op een betere wereld ? Op een kentering in uw leven? Op het eeuwige leven misschien? Wat is uw hoop?

Ons resten geloof, hoop en liefde, schrijft Paulus aan de Korintiërs (13—13)

Geloven en hopen: is dat niet hetzelfde? Als je gelooft hoop je en hoe kan je hoop hebben zonder geloof? Als mijn vriend nu eens zou geloven—het doet er misschien niet eens veel toe waarin—in iets, in ieder geval in iets dat groter is dan dit—dan zou hij niet zo hopeloos zijn. Niet toch? Martin Luther geloofde vurig en kon daarom zijn hoop vestigen op iets wat in zijn tijd onmogelijk leek.

Ik moet u eerlijk bekennen dat totdat ik me begon voor te bereiden op deze preek, hoop niet een onderwerp was waar ik me veel mee bezig had gehouden. Waarom zou je hopen als je gelooft? Zoiets dacht ik als ik mensen tegenkwam die het over hoop hadden. Hoe het onderwerp tot me kwam begrijp ik niet. Plotseling was het daar. Dat was waarover ik het moest hebben. Merkwaardig is dat toch. Zoiets beleef ik niet wanneer ik de wetenschap beoefen—ik bedoel dat dwingende gevoel iets aan te gaan waar ik weinig mee heb. Alsof het een heilig moeten is.

En toen kwam ik die dakloze man tegen. En ik ontdekte de verlammende gevoel dat een hopeloos verhaal geeft als dat van mijn vriend. En ik ontdekte hoe weinig hoop leeft als thema om me heen. Want niet alleen mijn vriend keek me vreemd aan toen ik hem naar zijn hoop vroeg. De meeste mensen doen dat, zo heb ik de afgelopen weken ontdekt. Hopen—hopen? Waar heb je het over? Wil je soms dat ik hoop op een leven na de dood? Hopen in deze wereld? Kom nou. Doe niet zo infantiel.

Om moedeloos van te worden.

Alleen het acht—jarige meisje wist het wel. “Hopen is iets willen terwijl je niet zeker bent dat het wel kan,” wist zij. “Je hoopt dat een wens in vervulling gaat.” Misschien moet je jong zijn om te weten wat hopen is. Of niet soms?

“Wij zuchten in onszelf” lees ik in de brief aan de Romeinen (8—23), “in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn.” Waarom zouden we zuchten? We geloven toch? Maar we weten het niet. Of weet u het soms wel? De twijfel overvalt me steeds weer, en ieder keer weer haalt ze mijn geloof onderuit. “Geloof is gebaseerd op onzekerheid” lees ik in Unanumo, die oh zo inspirerende Spaanse filosoof (The Tragic Sense of Life in Men and Nations). Hoe kan dat, vraag ik me af. Hoe kan onzekerheid de basis zijn? Unanumo gaat verder: we geloven omdat we hopen—roept hij uit—uitroepen want zo schrijft de man—als één lange kreet. Het hopen doet geloven. Dat is gek want is hoop juist niet gebaseerd op een geloof? Als het achtjarige meisje gelooft in de droomprins die haar wakker kust, dan kan ze ook op hem hopen. Of is het toch andersom? Door vurig te hopen, begint ze er nog in te geloven ook.

Ik ga terug naar de bijbel en lees in Hebreeen 11: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien”. Het geloof als grondslag: precies het omgekeerde van wat Unanumo uitroept.

De Emmaus gangers staan voor mensen die de hoop hebben laten varen. Ze vertellen aan de vreemdeling die met hen mee oploopt hoe gedesillusioneerd ze zijn nu hun meester is omgebracht. Hij was immers de belofte; hij zou Israel bevrijden. Nu is hij dood en alles is verloren, alles is voor niets geweest. Hun vertrouwen is weg. Hun hoop is vervlogen. Ja, het is wel gek dat zijn graf leeg is; een aantal vrouwen zeggen dat ze een engel hebben gezien die hen vertelde dat Jezus is weder opgestaan. Maar wie gelooft dat nu? De vreemdeling vermaande hen. Waren zij dan zo blind? Gaven zij hun geloof zo gemakkelijk op? Misschien dat Zijn woorden de leerlingen op gedachten brachten. Ze wilden in ieder geval dat de vreemdeling bij hen bleef. En toen Hij, Jezus, het brood brak, zagen ze het met eigen ogen en zij geloofden. En daarmee kwam de hoop terug.

Geloof heeft met vertrouwen te maken. Fides in het Latijns betekent geloof en vertrouwen. God gaf Noach, en daarmee ons mensen, reden om te geloven door Zijn verbond met ons mensen, met de regenboog als Zijn teken. Zie de regenboog en je kan vertrouwen op die belofte van God. Het geloof staat achter ons, geeft ons een steun in de rug. Geloven in jezelf betekent met overtuiging jouw verhaal kunnen vertellen, jouw heden kunnen verbinden met het verleden. Geloven in deze wereld is niet veel anders. En zo gebeurt ook het geloven in God. Geloven in God is Zijn verhaal kennen.

Hopen is uitreiken naar de toekomst, naar iets wat niet is. Hopen is verlangen naar een waarheid van wat we niet kunnen zien. Hopen kunnen we tegen beter weten in. Samuel Johnson noemde het tweede huwelijk een triomf van hoop over ervaring. Je zou beter moeten weten. Hoe dwaas om het nog eens te proberen. En toch, we hopen tegen beter weten in. Wat zouden wij mensen zijn zonder hoop. We zouden tot niets komen.

De Emmaus gangers geloofden omdat ze met eigen ogen Jezus het brood zagen breken; en daardoor konden ze weer hopen op iets dat ze onmogelijk konden zien.

Hopen maakt ons menselijk. Hopen geeft ruimte; het verlangen dat in de hoop verschijnt, doet leven.

Een geloof dat te sterk is, te hermetisch, laat geen ruimte voor de hoop. Voor fundamentalisten betekent hoop weinig. Ze weten het toch zeker. Zij geloven zonder enige twijfel. Hun geloof is absoluut. En daarom hoeven ze niet te hopen. De martelaar die zich opblaast weet gewoon zeker dat hij in de hemel zal komen in het gezelschap van vele maagden. Zijn geloof ontbeert de hoop.

Maar wat te zeggen van degenen die alle geloof hebben laten varen? Ik denk nu jammer genoeg aan teveel mensen om mij heen, die net als de Emmaus gangers gedesillusioneerd zijn, hun bekomst hebben gehad van hun goedgelovigheid in een droomprins of droomprinses, in een betere wereld misschien, of in een God op wie ze kunnen vertrouwen. Zij zijn cynisch geworden en dat betekent dat zij niet alleen niet meer geloven maar ook gestopt zijn te hopen..Zij zijn hopeloos zou je kunnen zeggen. Hoe verleidelijk is dat cynisme. Ik voel het bij mijn vriend en ik voel met hem mee. Zou ik dat in zijn positie niet zijn dan? Oh, ik hoop zo van niet. Cynisme slaat dood. Soms vrees ik dat deze samenleving cynisch is geworden. Hoor het geweeklaag over een samenleving die alleen maar harder en killer wordt, waar hebzucht de boventoon voert, waar geldzucht de ondergang betekent van een grote Nederlandse bank. Inderdaad, om cynisch van te worden.

Maar dat kunnen en willen we niet laten gebeuren. Zonder geloof in eigen kunnen en zonder hoop op verbetering zijn cynici geen partij voor mensen met een absoluut geloof. Zonder geloof en zonder hoop is mijn vriend geen partij voor de dood; en hij heeft daarom geen leven meer.

Wat is een leven zonder geloof. Wat is een leven zonder hoop. Heb de moed te hopen. Daar geeft God, die zijn Zoon naar ons gezonden heeft als een teken van Zijn verbond, ons alle reden toe. Hopen op wat?

Hopen betekent niet leven in de toekomst. Het is niet dat ik hoop dat mijn vriend zich al in het hiernamaals waant. Dat kan het niet zijn.

Denk nog eens aan die dakloze man. Zijn hoop bestaat er niet in dat hij blijft geloven ooit nog eens rijk te worden—wat hij daarover ook zegt; zijn hoop spreekt uit hoe hij daar zit. Hij aanvaardt zijn lot en gelooft erin en in dat geloof is hij geheel aanwezig. In zekere zin vertelt het meisje hetzelfde. Hopen betekent nu, op dit moment, te leven, om dankbaar te kunnen zijn voor het leven nu. Om niet afgeleid te worden door teveel ontnuchterende kennis, om niet overmand te worden door angst, door leegte, of desillusie, verveling. Dat alles leidt ons af van het nu. In die omarming van het nu geloven we niet alleen, maar hopen we ook. Ik vind het vreselijk moeilijk—het is oh zo gemakkelijk om afstand te nemen, maar in de beleving van het nu, ervaar ik de verlangen naar het goddelijke. En dat is hoop. Begrijpt u dat? Herkent u dat?

Oh ik zou mijn vriend die aanwezigheid zo graag gunnen. Ik zou zo graag zien dat hij het nu kan omarmen door de pijn heen.

En als dat allemaal niet lukt, als de situatie hopeloos blijft?

Vlak voor ze op transport werd gezet schreef Etty Hillesum in een brief: “De meesten zijn hier veel armer dan men zou behoeven te zijn, omdat men het verlangen naar vrienden en familie op de verliespost van het leven boekt, terwijl toch eigenlijk het feit dat een hart zozeer in staat is om te verlangen en lief te hebben, tot de kostbare goederen gerekend moeten worden.”

Als alles hopeloos lijkt, als het hart niet meer gelooft en hoopt, dan is de liefde nog de redding. Geloof, hoop, en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Amen.

Dienst in de kerk van Westernieland

by Arjo Klamer
4 september, 2005

(Dit is de kerk waar mijn vader stond van 1949 tot 1953, mijn geboortejaar. Ik werd 6 september in deze kerk gedoopt en was er niet terug geweest tot vorig jaar toen mijn moeder 80 werd. Dus dit is de derde keer dat ik de kerk kom)

Liederen:
– Gezang 415
– Gezang 444
– Gezang 304
– Gezang 434
– Gezang 457.

Lezingen uit:
– Genesis 22: 1-14
– Johannes 15: 1-18

Preek:

Stel je eens voor dat je in gesprek kan met de geest van je vader, alsof hij nog in leven was. Zou dat niet bijzonder zijn? He pa, wat vind je ervan? Heb je

nog een woord voor ons hier in dit kerkje van je? Ger Thijs maakte een toneelstuk van dat gegeven. Beneden de Rivieren heet dat stuk. Het Toneel Speelt, van mijn broer Ronald, speelde het. In het stuk verloopt het gesprek tussen de zoon en zijn overleden vader moeizaam. Verwijten gaan over en weer. En ook al is de wederzijdse genegenheid groot, ze vinden elkaar niet en gaan na afloop van het stuk ieder zijn weg. Het probleem is, althans zo begreep ik het, de grote afwezige. Dat is de moeder, de vrouw. Ze verschijnt niet op het toneel maar voortdurend voel je haar nadrukkelijke aanwezigheid in het gesprek tussen de vader en zoon. Zoon zegt haar zoveel beter te begrijpen dan vader. Langzaam wordt duidelijk dat de zoon bezit had genomen van zijn moeder-toch wel een bekend gegeven in de literatuur en de alledaagse werkelijkheid–en was daardoor tussen zijn vader en zijn moeder in komen te staan. Daardoor klopte hun verhouding niet meer. De zoon was te groot geworden. De vader had geen plek meer. Waarom bindt de zoon niet in? vroeg ik me steeds gedurende het stuk. Wees toch niet zo arrogant, dacht ik mee. Maar nee, de zoon gaf geen krimp en enigszins gefrustreerd verliet ik de zaal.

Het is een goed stuk want het maakte gesprekken los over vader-zoon relaties. Iedere man heeft zo zijn verhaal. De acteur in het stuk had zelf een vreselijk verhaal. Althans dat vond ik. Hij speelde de vader maar identificeerde zich met de zoon. Over zijn eigen vader kon hij weinig goeds bedenken. Je zag hem gruwen. Ik vroeg hem of hij zijn hoofd voor zijn vader kon buigen. Hij keek mij verbijsterd aan. Geen sprake van. Hij moest er niet aan denken.

Daarmee drukt hij een overheersend gevoel uit in deze samenleving. Het grote verzet tegen de vaders gedurende de jaren zestig heeft geleid tot een ontkenning van het belang van de vader. De vader stond immers voor autoritair gedoe, voor de opgeheven vinger, voor de harde aanpak, voor de harteloze ratio en daar waren we niet van gediend. De vader kwam in het verdomhoekje. De moeder nam zijn plaats in. De overheid kwam voor een verzorgingsstaat te staan. U herinnert zich de PvdA leider Joop den Uyl nog wel. Hij wilde klaar staan voor een ieder die hulp nodig had. Hij wilde dat de staat zorg droeg, en dus een verzorgingsstaat was. Hij werd de archetypische moeder van deze samenleving.

Inmiddels is het besef doorgedrongen dat de moeder ook te dominant kan zijn. Te veel mensen maken misbruik van de verzorging van de staat. Te veel mensen ontsporen. Mensen raken verwend, klagen snel als hen iets niet zint, en geven de overheid de schuld. Het is net als thuis. Kinderen die in de watten gelegd zijn, hebben de grootste moeite zich sterk te maken in de buitenwereld, en zijn vaak niet opgewassen tegen de weerstand die ze daar ontmoeten. Het liefst kruipen ze weer weg in de warmte van de moederschoot en als dat niet kan, zoeken ze het bij de overheid als substituut. Was teveel vader niet goed, teveel moeder is dat ook niet.

Het doet denken aan verhaal van de jonge manlijke olifantjes die het wel erg bont maakten in een wildpark in Zuid Afrika. Ze trokken bomen omver, vielen andere beesten aan, en maakten kapot wat ze konden. De opzichters hadden al besloten er met hun geweren een einde aan te maken totdat één van hen opmerkte dat er geen volwassen mannetjes in de kudde waren. Ze besloten bij wijze van experiment een volwassen mannetje in de kudde te plaatsen. Het probleem was direct over. Blijkbaar hadden de jonge mannetjes een vader figuur nodig om zich behoorlijk te gedragen. Het zijn net mensen. Want wat doen wij zonder vaders? In Nederland zijn we dan ook druk doende de vader terug te vinden en in ere te herstellen. De premier moet nu vooral vaderlijk over komen, dus autoritair, met de opgeven vinger, en streng. Of dat lukt is een tweede.

De vader-zoon relatie is een overheersend thema in de bijbel. Ons boek heeft eigenlijk opvallend weinig te zeggen over de relatie tussen man en vrouw, of die tussen moeder en kind, of die tussen vader en dochter. Het is God de Vader die wij eren en loven. Het is God die Zijn Zoon heeft gezonden en het is de Zoon die Zijn Vader smeekt de beker aan hem voorbij te laten gaan. Het is de God van Adam die in de 930 jaar die hij leefde zonen en dochters kreeg, maar alleen de zonen bij naam. (Wat leefden die mensen toch lang! Daar is de 115 jaar van onze niks bij vergeleken.) De zonen kregen zonen die weer zonen kregen en zo komen we uit op Noach en zijn zonen. Uit die lijn kwam Abraham voort en met hem ging God een verbond aan. Ook al waren Abraham en zijn vrouw op leeftijd en kinderloos, God beloofde Abraham zoveel nakomelingen als de sterren in de hemel. En zo geschiedde, Sara baarde Isaak, een zoon.

En toen stelde God Abraham op de proef. Hij gaf Abraham de opdracht zijn zoon te offeren. Hij deed als God hem opgedragen had, nam zijn zoon mee naar de berg die God hem gewezen had, maakte een altaar en bond Isaak, zijn enige zoon erop vast. Stelt u zich dat eens voor? Dit kan toch niet? Welke vader doet dat? Welke vader doodt zijn zoon? En welke vader geeft daartoe de opdracht? Mensen die toch al niet veel van de bijbel willen hebben, keren zich in afkeer af als ze over dit verhaal horen. Onze God die dit vraagt is een vreselijke God. Hij kan geen God zijn. Dit is wreed. Niets is erger dan een kind te verliezen. En dan een eigen, een enig kind doden?

In de tijd waarin dit geschreven is, was het offeren van de eigen kinderen nog een gebruik. In dat licht leest dit verhaal eerder als een kritiek op dat gebruik omdat het duidelijk maakt dat God tevreden is met een ander offer, dat van een ram, of een lam. En laten we wel wezen. Zo vreemd is het offeren van zonen ook weer niet. Want wat anders doen zelfs de meest beschaafde landen wanneer ze hun zonen offeren om de democratie elders te vestigen of de eer van het land te verdedigen?

Maar goed, voor ons gaat dit verhaal eerder over het brengen van offers. Het geloof komt niet zomaar, het verbond met God wordt ons niet in de schoot geworpen. Daar zijn offers voor nodig. We zullen moeten laten zien wat wij over hebben voor ons geloof. Offer is een mooi begrip. Je kan het vandaag bijna niet meer hanteren. Want we hebben eerder recht op van alles en nog wat. Voor wat hoort wat. Maar een offer brengen. . . Nee, dat is zo calvinistisch. Alsof we geen offers brengen voor onze relaties, voor onze kinderen, onze ouders, voor de kunst, en voor de kerk. Niets goeds zonder een offer.

Het verhaal van Genesis 22 gaat ook over het ontzag van de zoon voor de vader. De vader wil weten dat de zoon bereid is voor hem door het stof te gaan en het ultieme offer te brengen. Het gaat over de zoon die geacht wordt te buigen voor zijn vader, hoe hardvochtig en onmogelijk deze ook is. Het is een buiging die voor de hedendaagse Nederlandse zoon welhaast ondenkbaar is. Vaders zijn nu bijna per definitie ouderwets; ze begrijpen er toch niets van, zijn vooral afwezig, zo niet fysiek dan wel geestelijk, en wil de vader nog een goede kerel zijn, dan wil hij zelf niet dat zijn zoon ontzag heeft. Kom op joh, ik heb ook mijn fouten, jij moet jouw weg gaan.

En toch hebben we die vader nodig. Ik heb mijn vader nodig. Het is in dat besef dat ik hier sta.

Ook het nieuwe testament leest als een verhaal over een Zoon en Zijn Vader. Steeds maar weer verwijst Jezus naar zijn Vader. Zou ik zo vaak over mijn vader spreken als Jezus dat deed, dan zou u zich ongetwijfeld afvragen of ik zelf nog wel een eigen stem heb, op eigen benen sta. Het zou u wellicht gaan irriteren. Ik mag mijn vader dan eren, ik moet er vooral niet mee te koop lopen. Jezus doet dat wel. Hij worstelt ook met Zijn Vader. Op het moment van de waarheid, daar in de tuin van Ghetsemane, komt hij nog in opstand tegen zijn vader, en vraagt Hem de beker aan Hem voorbij te laten gaan. Uiteindelijk schikt Hij zich naar de wil van Zijn Vader en brengt het ultieme offer. God offert Zijn eigen Zoon. Voor ons.

Ik zou hier kunnen eindigen. Maar iets klopt hier niet. We mogen dan wel weer hunkeren naar die vader en ons laten inspireren door het thema van de vader-zoon relatie, we zouden intussen wel beter moeten weten. Want waar blijft de Moeder? De Moeder die zorgt, die het kind lief heeft wat het ook doet? Het is immers de Moeder die ons voedt, ons in de armen neemt wanneer we het niet meer weten? U en ik, we hebben allemaal toch die Moeder nodig?

Dan kom ik bij Johannes 15. “Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen.” Is dat misschien het beeld van de moeder? De gewaarwording dat God in ons is en dat niet alleen de vrouwen onder ons maar ook de mannen vrucht kunnen dragen? Hier komt Jezus met de boodschap van de liefde. De lieverd zou ik haast zeggen. “Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft lief gehad. Blijf in mijn liefde.” Zo mooi. Wordt u ook niet warm van die woorden. “Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.”

Ook hier spreekt de Vader. Door zijn Zoon. Het zijn wel de woorden van de liefde, de gevoelens die we eerder met de Moeder identificeren. En het gaat niet om de liefde die zich bepaalt tot een specifieke ander, de vrouw, de man, de zoon, de dochter, nee het gaat over de liefde voor elkaar, dus ook voor u en voor al de mensen buiten, voor de mensen die hopeloos verloren zijn in New Orleans, voor de mensen van wie bijna niet te houden is. Die Vader die is belangrijk voor ons. Die Moeder is dat ook. Maar uiteindelijk vertelt dit woord ons dat het om iets veel groters gaat, over iets veel machtigers. Uiteindelijk gaat het over de liefde die alles overheerst, over de liefde voor alles wat leeft.

En pa, dat vind jij toch ook?

Amen

Wat blinkt en stinkt, de paradox van geld

22 Feb 2004

 

Arjo Klamer 
NCRV: dienst zondagmorgen 9 uur op radio 747AM, Uitzending 15 februari 2004

Laten we het vooral niet over geld hebben. Geld en geloof: dat gaat niet samen. Het geloof is voor het verhevene, geld houdt ons laag bij de grond. Nu ben ik ook econoom en dan ben je nogal eens met het fenomeen geld bezig, hoe het werkt en wat het doet. En zo komt de vraag op: hoe valt het omgaan met geld te rijmen met het goede leven waar ik wil geloven? Klopt het wel om zo met geld bezig te zijn? Valt er iets te zeggen over hoe u en ik vanuit ons geloof met geld dienen om te gaan? Over die vragen wil ik het vanochtend met u hebben.

– Lezing: Marcus 10: 17-27 De rijke jongeling
– Psalm 66: 1, 5 en 7
– Gezang 348: 1, 4-7

Overdenking:

Het meisje hield het geld stevig in haar knuistje. “Wat wil je?” vroeg de mevrouw achter de toonbank. Ze wees op het zakje snoep waar een glinsterend ringetje bijzat. “Geef me je centjes maar; laat maar eens zien hoeveel je hebt.” Het meisje hield haar ogen gericht op het begeerde zakje snoep, en opende haar knuistje, gedachteloos naar het scheen zo gefixeerd als ze was op dat wat ze wilde hebben. Toen ze het zakje snoep kreeg met wat geld erbij, keek het meisje eerst wat ongelovig. Dat ze zoiets prachtigs kon krijgen voor die ronde muntjes! Toen straalde ze. Het meisje was de koning zo rijk.

Niet alleen voor kinderen heeft geld iets magisch. Geld heeft een bijna onweerstaanbare aantrekkingskracht. Wie weet haar te weerstaan? Miljoenen mensen kopen iedere keer weer een lot in de loterij in ruil voor een onmetelijk kleine kans op heel veel geld. De gedachte alleen al om 10, 20 miljoen euro in de wacht te slepen, maakt al deze mensen een beetje gek. Geld belooft een gelukkig leven. Geld geeft macht. Het enige waar mensen met veel geld op uit zijn, lijkt wel nog meer geld binnen te halen. Geld verleidt. Geld windt op. Geld is wat we zien blinken.

Kom in de nabijheid van de bijbel en de kerk, en geld begint evenwel te stinken. Vroeger was dat letterlijk zo, toen de rijken nog begraven werden in de kerk. Vandaar de uitdrukking rijke stinkerds. Ze mochten dan wel begraven worden in de kerk, in de bijbel komen ze er bekaaid af. In de passage die ik zo-even las, spreekt Jezus duidelijke taal. Met al zijn rijkdommen zal de jonge man onmogelijk toegang tot de hemel verkrijgen. De bijbel wemelt van waarschuwingen en vermaningen aan het adres van de rijken onder ons. “[..] de wortel van alle kwaad is de geldzucht”, schrijft Paulus aan Timotheus I (vers 6). Hier en daar biedt de bijbel een beetje houvast zoals in Spreuken 3, vers 9 en 10 waar staat geschreven: “Vereer de Here met uw rijkdom en met de eerstelingen van al uw inkomsten, dan zullen uw schuren met overvloed gevuld worden en uw perskuipen van most overstromen.” Maar ook dit betekent dat de rijken onder ons vooral veel dienen te geven. Doet u dat?

Laat ik de boodschap tot mij doordringen, dan moet ik wel even flink op mijn hoofd krabben. Een gevoel van schaamte bekruipt me, en van wanhoop en verwarring. Want wat doe ik nog met al mijn aardse rijkdom, met het goede salaris dat ik verdien als hoogleraar, met mijn mooie huis. Hoe kan ik dat nog rechtvaardigen. Hoe doet u dat?

Voordat u zich ontrekt met de gedachte dat u met heel wat minder dan ik rondkom, laten we wel wezen: hoe arm iemand onder ons ook is, zelfs hij of zij is rijk in vergelijking met de miljarden mensen die echt arm zijn, die gewoonweg niet genoeg geld hebben om voldoende eten te kopen. U en ik, wij leven nu eenmaal in het rijke deel van de wereld. Is dat ons ongeluk?

“Bij mensen is het onmogelijk,” verzekert Jezus als Zijn discipelen inzien hoe Hij het onmogelijke van de jonge man en al die andere rijkelui vraagt. Is dat het dan? Moeten u en ik er dan echt aan geloven?

Ik word er niet vrolijker op wanneer ik lees hoe Paulus keer op keer kwaad spreekt van predikers die geld incasseren voor hun boodschap. De NCRV betaalt mij een vergoeding voor wat ik nu doe. Het is een bescheiden vergoeding maar toch, het is geld voor iets dat niets met geld te maken mag hebben. Althans volgens de bijbel.

Ik moet u bekennen dat ik geen gemakkelijke uitweg zie. Als econoom kan ik wijzen op de rampspoed die zal volgen wanneer u en ik en ieder ander die zijn geloof serieus neemt, van de ene dag op de andere besluit alle bezittingen weg te geven aan een goed doel om slechts het allernoodzakelijkste te behouden. De economie zou in een crisis geraken, en al snel zou er te weinig zijn om de armste onder ons in leven te houden. En let op voordat u al de geldzucht veroordeelt: dankzij al die mensen die geld najagen is dit één van de rijkste samenlevingen ter wereld. Mensen worden rijk door diensten en producten te leveren waarvoor u en ik de prijs willen betalen. Zo is Bill Gates miljardair geworden met zijn computer programma’s. De wortel van het kwaad heeft veel goeds te weeg gebracht. Dat is de paradox dat ons economen al eeuwen bezig houdt. Een uitweg is dat evenwel niet.

Waar we tegen aanlopen is de tegenstelling tussen, bij wijze van spreken, de zondag en de maandag. Op de zondag belijden christenen hun geloof in gerechtigheid en rechtvaardig. Ook moslims, Joden, en niet gelovigen doen dat alleen op een ander tijdstip van de week. Op maandag wordt een ieder geconfronteerd met de alledaagse werkelijkheid. Dan moet er brood op de plank komen, de kinderen moeten kleren hebben, de winkel moet lopen en de boeken moeten sluiten. Dan is er even geen tijd voor grootse en verheven gedachten. Door de week is de werkelijkheid praktisch en soms meedogenloos. Op zondag, of vrijdag of zaterdag, is het gemakkelijk praten en geloven, door de week dienen we te handelen en om te gaan met de schaarse middelen die ons ter beschikking staan.

Denk rechtlijnig en de hele week staat in het teken van het schuldgevoel. Denk rechtlijnig volgens de lijn die loodrecht daarop staat en de zondag passeert als ware het een doordeweekse dag. Zo rechtlijnig en eentonig kan het leven toch niet bedoeld zijn. In de film Babette’s feest ontdekt een somber en rechtlijnig levende Deense geloofsgemeenschap dat het ook anders kan. Ze weet geen raad met een wat losjes levende Franse vrouw, Babette, in hun midden en zeker niet wanneer zij een groots feest organiseert. Babette’s gave is de kookkunst. Vanuit verre streken laat ze het verste voedsel en de beste wijn aanrukken en ze bereidt een copieus maal voor. Eerst willen de genodigden er niet aan geloven, maar de wijn en het overheerlijke voedsel missen hun uitwerking niet. De gezichten ontspannen en beginnen vervolgens te stralen. Geinspireerd door de goede wijn en het heerlijke voedsel ontdekken deze mensen wat genieten is. Het wordt voor hen een ongekende spirituele ervaring, los van schuld en schaamte, dwars tegen hun rechtlijnigheid in. Wat een verlossing. Wat een verrassing ook. Is dat de uitweg?

De alledaagse werkelijkheid kan en mag ons die inspiratie niet ontzeggen. Zo liefdeloos mag ze niet zijn. Ook in het doordeweekse handelen moet het goede zich laten kennen. Dus wat te doen? Hoe kunnen we goed met geld omgaan, zonder het geloof in het goede, in gerechtigheid ook te verloochenen? Hoe kunnen u en ik werkelijk genieten, zonder te vergeten wat Jezus ons op het hart drukt?

Bedenk eerst wat het meisje ontdekte: geld is een middel om de ruil onder ons mensen te vergemakkelijken. Als u dat gerust stelt, ook Mozes erkende die rol van het geld. (Deuteronomium 2:6: Voedsel om te eten zult gij van hen voor geld kopen). Geld vergemakkelijkt het alledaagse verkeer. Het zij zo.

Bedenk ook dat geld geen rol speelt wanneer grote en kwetsbare waarden in het geding zijn. Voor de liefde betalen we niet, voor vriendschap en de waarheid ook niet. Want het meten met geld, gaat ten koste van ons geweten. Geld is nooit helemaal onschuldig.

Bedenk dan ook dat geld immer slechts een middel is om het goede te doen, en nimmer het doel mag worden. Een goede schoenmaker werkt om goede schoenen te maken, om zijn kopers een plezier te doen, en om met het geld dat hij verdient goed te doen. Hij werkt niet om het geld. Dat is gemakkelijk gezegd maar wat is het moeilijk om naar dat inzicht te handelen. Geld is en blijft de grote verleider. Word ik eens goed betaald voor een lezing dan zou ik me kunnen afvragen of het me daarom te doen is, om het geld dus. Zou ik het ook doen als ik geen geld zou krijgen? Hoe waarachtig kan mijn verhaal zijn wanneer de ander er voor betaalt? En hoe verantwoord is de manier waarop ik het geld besteed? De verleiding is groot om die vragen uit de weg te gaan. Maar weet: echte tevredenheid, echt genot, komt pas als we bewust zijn van wat we doen. Als het klopt wat we doen.

Het meisje geeft het geld en krijgt iet heel moois. Zij kan niet geloven dat zoiets mogelijk is. Ze straalt. Dat moet goed zijn. Het kan niet anders.

Gebed

Heer, hoor ons in onze onmacht. We kunnen bijna niet beter dan het aardse goed na te jagen, ons te richten op de graadmeters van het geld. Geld houdt ons bezig ook al kunnen we beter weten. Uw boodschap is duidelijk genoeg. Vergeef ons onze onmacht. Leidt ons niet in verzoeking. En geef ons de kracht om de verleidingen te weerstaan en te blijven zoeken naar dat wat goed is. Dat wij bewust weten om te gaan met het geld. Dat wij bewust zijn van de verantwoordelijkheid waar onze rijkdom ons voor stelt. Heer, we weten dat dit leven niet volkomen is. Geef ons de kracht van de liefde want we weten ook dat die sterker is dan wat dan ook.
Amen

Zingend Geloven V: 15 (Wat brengt een mens het zwoegen op)

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten