Het grote raadsel van het leven blijft haar eindigheid. De dood wacht ons allen. Alleen gaan we er heel verschillend mee om. Sommigen ontkennen haar, anderen verzwelgen in haar aanwezigheid. In dit tweede gesprek wil ik met u stil staan bij het grote geheim dat onze dood voor ons is. Hoe er mee te leven? Wat kan het geloof voor ons betekenen?
- Psalm 69: 1 en 2
- Lezing: Mattheus 26:36-46 Ghetsemane
- Gezang 489
De man was stervende. Hij was een oom voor het meisje van 11 dat hem nog eens wilde zien. Weet je, zei hij tegen haar toen ze was gaan zitten, ik ga dood. De vader van het meisje die erbij zat, lachte wat om de boodschap te verzachten. "Dat gaan we toch allemaal", probeerde hij nog." "Ja, maar ik ga al heel gauw dood." De oom keek zijn nicht rustig aan met een vriendelijke glimlach. Zij begreep hem helemaal. De dood was niet iets akeligs, iets om bang voor te zijn. De dood was normaal, doodnormaal dus, iets dat bij het leven hoort.
In het moderne leven lijkt de dood buitengesloten te worden. Alsof ze er niet meer bij hoort. We leven dat het een lieve lust is, houden elkaar volop bezig, om maar te voorkomen dat we met die dood bezig te zijn. Alles behalve de dood. Vroeger was de begraafplaats in het centrum, naast de kerk. De moderne begraafplaats ligt nu aan de rand van de stad, keurig verstopt in een bosrijke omgeving. Ga je er niet naar op zoek, dan weet je geeneens dat daar de plaats van de doden is. Vroeger stond je stil als een begrafenisstoet langs kwam; nu rijd je rustig door en erger je je misschien omdat je er voor moet wachten. Over de dood spreken we niet. Het lijkt soms wel dat de dood het moderne taboe bij uitstek is. Alsof het iets akeligs is, iets om angstig voor te zijn.
Laatst kwam ik in een college met studenten over de dood te spreken. We begonnen over het geloof waar de meeste weinig mee ophadden. Nee, naar de kerk gingen ze niet. Hadden ze geen behoefte aan. Van de bijbel hadden ze geen weet. Waarom zouden ze ook? God zei hun niets. Hoe gaan ze dan met hun dood om? Niet dus. Een aantal erkende daar nooit mee bezig te zijn. Nee, ze hadden nog niet meegemaakt dat iemand in hun omgeving dood gegaan was.
En zo is het. Mensen leven tegenwoordig zolang en verhouden zich daarbij zozeer tot de eigen generatie, dat ze pas op gevorderde leeftijd met de dood geconfronteerd worden. Steeds meer mensen halen de zestig voordat ze een ouder verliezen. Geen wonder dus dat ze leven alsof er geen dood is.
Jeugdig zijn en blijven. Daar draait het om tegenwoordig. Kijk maar naar de tv. De jeugd heeft de toekomst, zeggen de ouderen tegen elkaar. Sterker nog, de jeugd is de toekomst. Wat een ontkenning. Want kijken we voor ons uit, dan zien we niet de jeugd maar de dood die op ons wacht. Leven met de dood in de ogen: dat leeft toch wel heel wat anders. "Midden in het leven staat de dood", heette een tentoonstelling die kunstenaars een aantal jaren geleden wijdden aan de dood. De kunst betrof vooral de kunst van het begraven. Een mooi thema. Maar ik denk nu eerder aan de omgang met de dood als onderdeel van de kunst van het leven.
Zelf had ik weinig met de dood. Alleen toen ik me als jongeling met de existentialistische filosofie bezig hield. Het was Camus die me de vraag stelde: waarom plegen we geen zelfmoord als de zin van het leven ons ontgaat? Daar debatteerde je dan over, met woorden natuurlijk, in het hoofd, verstandelijk vooral. De vraag zonk evenwel niet in, niet bij mij althans. Ik leefde alsof de dood er niet toe deed, alsof ik zelf, niemand niet, dood zou gaan. Totdat mijn vader dood ging. Ik was toen 33 jaar. Ik was vergeten dat ik zo kon huilen. Vreselijk vond ik om te zien hoe zijn lichaam het begaf, hoe de tumor in zijn hersenen huis hield. Maar tegelijkertijd ervoer ik ook een ongekende kracht. Misschien ontleende ik die aan zijn aanwezigheid tijdens het afsterven van zijn lichaam. Tegen zijn eigen verwachtingen liep hij niet voor de dood weg, ontkende hij haar niet. "Nee, voor de dood was hij niet bang," antwoordde hij op mijn vraag daarnaar, "wel voor het leven zoals dat voor me ligt." Toen hij zijn laatste adem had uitgeblazen, zag ik het zoals ik het nooit eerder zo duidelijk had gezien, en daarna niet meer zo nadrukkelijk zou zien: het licht waarin ik mijn eigen dood zag. Mijn vader was voor me weg gestapt, alsof hij mijn zicht op de dood had geblokkeerd. Hij stond nu achter mij; niets scheidde mij nog van de dood. Wat een kracht dat dat gaf, wat een machtig gevoel. Wat een bevrijding ook.
De maanden daarna waren om andere redenen moeilijk. Het deed er niet toe. Er was iets dat groter was dan dat, iets dat zoveel machtiger was. De dood wandelt nu met me mee. Niet dat ik er altijd raad mee weet, niet dat ik weet wat die dood betekent. Niet dat ik leef zoals iemand, zoals mijn zwager, die weet dat hij nog maar een beperkte tijd te leven heeft. Nee, het is eerder dat de dood als een geweten is die steeds weer van me wil weten of wat ik doe de moeite waard is. En weet u, het valt me op dat de dood zo onverbrekelijk verbonden is met het leven. Kijk, wat ik net zei, is niet meer. Dat kostbare moment dat u met een kind of kleinkind deelde, is niet meer. Alles gaat voorbij, en iedere keer weer sterft u weer een beetje. Hoe ouder u wordt, hoe vaker u afscheid heeft genomen van dierbare momenten, belangrijke contacten, mooie beelden, hoe meer u bent gestorven. Dat is het leven.
Maar weet ik raad wanneer de dood echt concreet voor de deur staat? Heb ik de moed om de dood rustig in de ogen te kijken, zoals mijn zwager en mijn vader dat leken te doen? Misschien word ik wel angstig. Jezus was dat ook in de tuin van Ghetsamene.
Ook al is het nog geen Pasen, wilde ik toch het verhaal van Jezus met u lezen. Het was de bijbeltekst die we lazen tijdens de begrafenisdienst van mijn vader. Hij had dat zo gewild. Waarom dan toch?
Jezus weet dat zijn einde nabij is. Zijn dood staat voor de deur. En wat doet hij, de zoon van God? "Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden." "Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe." Ontsteld, angstig, bedroefd . . .geen menselijke gevoelens zijn Hem vreemd. Zelfs Hij wil voor de dood weg lopen. Daarvoor gaat hij in discussie met Zijn Vader. "Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. . " Alstublieft, niet nu, ik wil nog zo veel, ik ben er nog niet klaar voor. Al de redenen die ik zou vinden om geen afscheid te hoeven nemen. Doodgaan is niet gemakkelijk, het is niet vanzelfsprekend. Zelfs Jezus wordt er angstig van. En dan komt de eerste berusting. "Doch niet wat ik wil, maar wat Gij wilt." Aan ons lot is niet te ontkomen, hoe graag we ook willen. Het is erger nog: in die laatste momenten zijn we aan ons eigen lot overgeleverd. Jezus is helemaal op zichzelf aangewezen. Zelfs God, zijn Vader, spreekt hem niet geruststellend toe. En dan verlaten zijn vrienden Hem. Twee keer maakte Hij Petrus, Jacobus en Johannes, die hij meenam om hem te vergezellen, wakker. De derde keer liet Hij hen slapen. "Slaapt nu maar en rust. Het is genoeg." Zie, Jezus was gereed om alleen zijn dood tegemoet te treden. Helemaal alleen.
Orgelmuziek
Oh God, sta ons bij in dit leven
Opdat wij de kracht hebben de dood haar plaats te geven die haar toekomt
Geef ons de kracht om te voorkomen dat de dood ons leven gaat beheersen
En ons blind maakt voor wat is, voor wat leeft
Help ons er voor te zorgen dat we aanwezig zijn in dit leven
Het leven dat iedere dag weer een gift is, Uw gift aan ons
Laat dit leven niet verzuren door de kennis van haar eindigheid
Maar geef ons de kracht om onze dood in de ogen zien
En om wanneer de dood voor de deur staat, net als Uw zoon Jezus de rust in ons zelf te vinden om Uw wil te accepteren, en op eigen benen, op eigen kracht, helemaal alleen onze dood tegemoet te treden.
Heer, ontferm U over ons
Amen
Gezang 359