Geloven in aanwezigheid

by Arjo Klamer
NCRV: dienst zondagmorgen 9 uur op radio 747AM, Uitzending
11 Januari 2004

Wordt uitgewerkt kan niet bogen op een lange studie van theologische literatuur. Pretendeer ook geen kenner te zijn. Ontzag voor dominees en theologen die wijs weten te worden uit de complexe materie. Beschouw het als een voorrecht. Een verlangen als een jongen, als vele jongens die hun vaders wilden opvolgen. Maar ik werd een wetenschapper en legde me vooral toe op de teksten van de economie. Morele dimensies kwamen steeds meer op de voorgrond. Het goede. Drang naar preken nam toe. Alsof er van alles aan het opkroppen was maar er niet uit mag. Want in wetenschappelijke kringen wordt preken niet op prijs gesteld. Het geloof trouwens ook niet. Daar gaat het eerste gesprek dan ook over. Anderen volgen in de komende serie.

De t.v ploeg was gekomen voor het verhaal van de bejaarde schrijfster. Ze nam de drie kerels mee het grindpad op, de tuin in en een veld op dat omringd was door bomen. Toen ze een eindje hadden gelopen, gebaarde ze hen te stoppen en stil te zijn. Het was doodstil. Alleen de wind ruiste door de bomen. Na een tijdje zei ze: "Hoor je het goed? Hier gaat het om."

Overdenking1:

Een nieuw jaar markeert een nieuw begin. Althans zo werkt het meestal. En een nieuw begin nodigt uit tot vragen. Ik stel u voor vandaag de vraag van het geloof te stellen. Wat betekent het te zeggen "ik geloof"? En wat wil het zeggen als we daaraan "in God" toevoegen? Het is niet de minste vraag. En we kunnen ook niet verwachten er in het komende half uur een antwoord op te vinden. Maar laten we het erover hebben, nu. U, waar u ook bent, in uw stoel, in bed misschien, in de auto en ik hier, in de studio. Kunnen we elkaar vinden? Laten we het proberen.
- Psalm 25: 1 en 2
- Lezing: Handelingen 9: 1-19a. De bekering van Saulus
- Gezang 325

Overdenking:

Het is om stil van te worden. En dat terwijl de verleiding zo sterk is om de ruimte met woorden te vullen. Ik zelf ben een man van woorden. Met woorden omgaan is mijn vak. Maar woorden hebben zo hun beperkingen. Vraagt iemand mij: Gelooft u in God? dan wil ik liever zwijgen. Want zeg ik ja, dan komt onherroepelijk de vraag: "Wat gelooft u?" En dan worden woorden verwacht, woorden die de stilte doorbreken en die nooit recht doen aan wat dat geloof in God werkelijk betekent. Eenmaal in woorden slaat de verwarring toe. De mens van nu weet zoveel. Onze hoofden zitten zo vol met zoveel kennis en met zoveel woorden. Hoe durven mensen bij hun volle verstand nog te zeggen dat ze in God geloven?

Geloven als een kind. Daar verlang ik wel eens naar. Zoals ik kon geloven toen ik nog een jongetje was. De vonken sprongen er soms vanaf. Ik geloofde met overgave. Zonder twijfel. Veel woorden had ik er niet voor. Hoe kon ik ook. Ik was een kind. Ik wist gewoon dat God er voor mij was, dat God het goed voor met me had. Ik onderging Zijn aanwezigheid aan den lijve. Tijdens de preken van mijn vader bijvoorbeeld. Dan werd ik geraakt door de Heilige Geest. Althans dat dacht ik als jongetje.

Rond mijn dertiende wilde ik niet meer mee naar de kerk. Het geloof van dat jongetje verliet mij en daarmee de ervaringen van Zijn aanwezigheid. De kennis nam toe, alsook de woordenschat. Het geloof verloor haar zin. En daarin was ik niet alleen. Het is alsof het gemeenschappelijk geloof, het geloof dat de mensen van deze samenleving bond aan het oplossen is. In grote drommen hebben mensen de kerk verlaten. Met God hebben ze weinig tot niks meer. Het geloof is iets marginaals geworden; en als je het hebt dan is het iets persoonlijks. Geen politicus, manager of wetenschapper die het zich in het hoofd haalt om in het openbaar een geloof in God te belijden. Vandaag de dag houd je het geloof voor jezelf.

Geloven is vooral een taboe onder de woordenaars, oftewel mensen die met woorden werken, zoals consultants, wetenschappers en journalisten. In het boekje Leven Zonder God pakken ze flink uit. Niets wijst op het bestaan van God. Het geloven in Hem is volstrekt onredelijk, betogen zij om vervolgens van leer te trekken tegen al het kwaad dat in de naam van kerken is geschied. Een van hen haalt een Amerikaans psycholoog aan die beweert dat religie geestelijk letsel aanbrengt bij kinderen. Dat zal wat geweest zijn in mijn geval, denk ik dan. Al die woorden: het is om stil van te worden. En leeg.

Saul dacht het ook beter te weten. Wat een verhaal. Zo plotsklaps geraakt worden door de Heilige Geest, het licht zien, blind worden en dan het moment van de bekering ervaren. Als jongetje sprak het verhaal mij enorm aan; nu vraag ik me af waar dat moment blijft. Waar is de God die mij kan raken. Wanneer ga ik weer eens het licht zien? Betekent het ontbreken van die ervaringen van God, dat ik zonder geloof kan zijn? Is geloven misschien onbereikbaar voor iemand die vooral in het verstand leeft?

Vind ik het geloof door in de bijbel te lezen? Door naar de kerk te gaan? Moet ik religieus zijn om te geloven? Saul werd na zijn bekering als Paulus de grondlegger van de christelijke kerk. Die kerk is, hoe verguisd ook door de ongelovigen, belangrijk geweest voor wat de sociale bindingen onder gelovigen, voor de gedeelde rituelen, de gedeelde verhalen. De kerk geeft vorm aan het geloof. Als zodanig is ze onmisbaar. Maar het kan niet zo zijn dat alleen in het huis dat mensen voor God bouwen, Hij aanwezig is. Dat alleen mensen die belijdenis hebben gedaan en lid van een kerk zijn, het ware geloof hebben.

Jezus was per slot van rekening ook geen lid van een kerk. En hij was ook niet bezig met het bouwen aan een kerk. Dat hebben zijn volgelingen gedaan. Zou Hij zich thuis hebben gevoeld in hun kerk? Of zou hij, net als tegen de Farizeeers indertijd, ageren tegen de dogma's, de betweters, en al het uiterlijk vertoon van de kerken van nu? Zou Hij als Hij nu op aarde was geweest, wel in een kerk te vinden zijn?

De man had zijn hele leven aan de kerk en het geloof gewijd. Hij was met zijn geloof een steun geweest voor mensen die worstelden met hun geloof, voor mensen die zich in de steek gelaten voelde, die op een of andere manier miskend waren. Toen zijn einde naderde, werd het stil om hem heen. Van bijbelteksten wilde hij niet meer weten. Weg ermee, zei hij tegen iemand die hem wilde steunen zoals hij gewend was te steunen. Alleen de liederen van Schutz konden hem nog beroeren. "Ich weiss das mein Erloser lebt." "Prachtig, prachtig", fluisterde hij. Hij sprak al moeizaam. "Ik weet nu dat het groter is." En na een korte stilte zei hij: dat is de waarheid, begrijp je dat?"

Voelt u het? Het is in de stilte dat het gebeurt. Weg van al de woorden die, hoe nodig we ze ook hebben, alleen maar afleiden. "En woorden als God en Dood en Lijden en Eeuwigheid moet men weer vergeten. En men moet weer zo eenvoudig en woordeloos worden als het koren dat groeit, of de regen die valt." Dat schreef Etty Hillesum op een donderdagochtend, een paar maanden voordat ze op transport naar Westerbork ging. "Deze jonge joodse vrouw die haar vreselijke lot onder de ogen zag, er niet weg voor wilde lopen, vond kracht in haar geloof. In haar dagboeken ging ze het gesprek aan met God. Op een kinderlijke manier bijna, want verschoond van grote woorden. Maar toch ook zo volwassen. Want anders dan het gelovige jongetje wist zij beter. ."Men moet weer zo eenvoudig worden als het koren dat groeit, of de regen die valt."

Geloven is niet een kwestie van woorden, weten wie God is voor jou, wat in de bijbel geschreven staat. Geloven lijkt eerder een kwestie van je los maken van de woorden om aanwezig te kunnen zijn in het moment. Ja zoals u en ik hier zitten. Aanwezig zijn in dit moment, met volle aandacht voor wat nu is. Zoals in het volledig beleven van de stilte, of het laken dat u voelt, of het voedsel dat uw lippen beroert, of van het contact met een bezoeker. Geloven is niet zozeer je verliezen in iets dat hoger is, maar eerder je durven overgeven aan dat wat is. Geloven is zijn, in de ware zin van zijn als werkwoord. Want gelooft u maar, om volledig aanwezig te zijn moeten we ons best doen. Misschien heeft iemand van ons het geluk om onverwachts geraakt te worden door de aanwezigheid van God, zoals Saul op weg naar Damascus. Maar daarmee is die persoon er niet. Het is in die volledige aanwezigheid dat het besef ontstaat dat het groter is. Want dat is de waarheid. Begrijp je dat?

- orgelmuziek

Gebed

     Geloven is zo moeilijk, Heer. Wij bidden tot U maar weten wij wel wat dat betekent? Zit u wel te wachten op het gesprek dat wij met U voeren. Hoort U ons? Heeft het zin?
     Hoe graag willen wij niet geraakt worden. Door U.
     Hoe mooi zou het niet zijn als wij Uw aanwezigheid voelen in alles wat wij doen.
     Maar de verleidingen zijn groot. Voortdurend worden wij afgeleid. Steeds weer proberen wij het geloof meester te worden met woorden. Ook nu doen we dat.
     We kunnen niet anders, althans zo lijkt het soms. Vergeef ons onze excuses.
     Hadden we maar de kracht, de rust ook, om te geloven in aanwezigheid, om in staat te zijn U gewaar te worden in wat we ook doen, zien, horen.
     Heer, sta ons bij in dit gestuntel. Kom ons te hulp in ons ongeloof.
     Amen

GvL 473 (Ik sta voor U in leegte en gemis)