De waarden van het neoklassieke mensbeeld

by Arjo Klamer
De waarde van instituties, Hans van de Broek & Ton Bevers, eds., Amsterdam: Amsterdam University Press, 2002, pp. 181-195.
cat: practice

Prelude

Ik schrijf dit essay met Zijderveld in gedachte. Hij heeft op verschillende manieren laten weten mijn rooftochten op zijn terrein op prijs te stellen, en, in tegenstelling tot collega's, doet hij niet denigrerend over mijn ongetwijfelde dilettantische sociologie. Nu zoekt hij net als ik een breder gesprek op dan de eigen discipline toestaat-al lijkt de sociologische discipline meer toe te laten dan de economische . Blijkbaar hebben we die vervreemding van onze eigen disciplinaire achtergrond met elkaar gemeen.

Hoe goed wij het als socioloog en econoom ook kunnen vinden, Zijderveld zal het met me eens moeten zijn dat dit a-typisch is. Gesprekken tussen economen en sociologen zijn meestal verwarrend. Jaren geleden ondernam ik als lid van de economische faculteit van Wellesley College (bij Boston in de VS) een poging om een seminar reeks op te zetten met de sociologen van de universiteit. Ik hoopte dat de dialoog verfrissend zou zijn en dat vooral mijn collega's zouden inzien hoe beperkt het mensbeeld van de standaard economische wetenschap wel niet was; wellicht zouden de sociologen ook wat wijzer kunnen worden van ons economen. Reeds de eerste bijeenkomst maakte de hoop ijdel. Het ging over arbeid. De economen wilden het hebben over de rationaliteit van de aanbod van arbeid-zoals het rationele van beslissingen gebaseerd op rationele verwachtingen. De sociologen wilden het gesprek krijgen op de vraag wat onder arbeid verstaan moet worden. Economen raakten geirriteerd omdat ze het sociologisch gepraat vaag en vooral ook onwetenschappelijk vonden. De sociologen waren op hun beurt geirriteerd, naar hun zeggen omdat ze dat gedoe over rationele verwachtingen, met al de wiskunde die daar bij te pas kwam, onrealistisch vonden. Na twee uur braken we gefrustreerd op om nooit meer bijeen te komen. 1

Dat was zeker twintig jaar geleden. Inmiddels heeft zich een levendige discussie tussen sociologen en economen ontwikkeld, althans tussen een subset van deze beroepsgroepen. Daarbij zijn twee gesprekken te onderscheiden. Het ene gesprek wordt gedomineerd door neo-klassieke economen. In dit gesprek passen neo-klassieke economen zoals de Nobel prijswinnaar Gary Becker, hun economische analyse toe op sociologische onderwerpen. Een groep sociologen blijkt hier wel voor te voelen en doet in ieder geval stevig mee met de onderwerping van de sociologie aan de economische wetenschap. In het andere gesprekken, die van de socio-economie en de economische sociologie, domineren de sociologen. Hier worden typisch economische onderwerpen, zoals het functioneren van markten, onderworpen aan een sociologisch analyse. De neoklassieke economie neemt in dit gesprek een flinke stap terug. Belangrijke figuren in dit laatste gesprek zijn Marc Granovetter, Richard Swedberg, Amitai Etzioni, Viviane Zelizer, en Paul DiMaggio.

Ik zou niet durven beweren dat het laatste socio-economische gesprek veel indruk heeft gemaakt op de neo-klassieke collega's. (Over het eerste gesprek hoeven ze zich niet druk te maken omdat dat geen consequenties heeft voor wat ze doen). Degenen die aan dit gesprek deelnemen maken weinig kans op een conventionele economische faculteit. Op gewone economische conferenties zie je ze vrijwel niet. Als er iets veranderd is, dan is dat dat de standaard economische wetenschap nog geisoleerder en formalistischer opereert, en nog minder open staat voor invloeden vanuit de andere sociale wetenschappen dan het twintig jaar geleden was. Op tal van universiteiten, waaronder de Erasmus universiteit, hebben economische faculteiten de inbreng van sociologie, voorzover die al bestond, gemarginaliseerd of geelimineerd (hetzelfde lot viel overigens ook de economische geschiedenis en de geschiedenis van het economisch denken ten deel). Socio-economen zijn gedwongen hun toevlucht te zoeken in andere faculteiten zoals die van bestuurskunde (public administration), bedrijfskunde (business administration), of, zoals in mijn geval, in de faculteit der historische en kunstwetenschappen. De economische wetenschap blijft het bastion dat het geweest is sinds Alfred Marshall bewerkstelligde dat het een afzonderlijk vak werd aan Cambridge University aan het eind van de 19de eeuw-omdat die universiteit toonaangevend was, volgden andere snel. Het gevolg is dat we nu een aparte economische faculteit hebben met een stevig schot dat haar scheidt van de andere sociale wetenschappen. (Was Karl Marx nu een econoom of een socioloog? In zijn tijd deed het antwoord er niet toe; nu maakt het alles uit.)

Zelf geniet ik het voorrecht in een multidisciplinaire faculteit te werken. Ik werk naast sociologen, een filosoof en een historica; we hebben in ieder geval het onderzoeksobject gemeen, te weten de wereld van de kunsten. De sociologen zorgen er wel voor dat ik sociologen als Max Weber, Pierre Bourdieu, Howard Becker en Anthony Giddens lees. Mede daardoor ben ik geinteresseerd geraakt in de rol die waarden spelen in het gedrag van mensen, organisaties en gemeenschappen. Vanuit het oogpunt van mijn reputatie en populariteit onder collega economen is deze belangstelling gevaarlijk. Ik dreig daarmee snel te vervreemden van de standaard aanpak in mijn eigen wetenschap, en daarmee van mijn collega's die, net als twintig jaar geleden, de aandacht voor waarden onwetenschappelijk vinden. Casper de Vries, zonder meer een goede econoom aan de Erasmus universiteit, wilde wel eens weten waar deze onwetenschappelijke prietpraat toe zou leiden. "Vertel me eens," zo vroeg hij na de promotie plechtigheid van een van mijn promovendi 2, "hoe helpt me dit als ik de aandelen markt wil analyseren? " Nu denk ik dat een socio-economische benadering inzicht kan geven in het functioneren van de aandelenmarkt, maar dat is het punt niet. Collega de Vries gaf eenvoudigweg aan geen interesse te hebben in dergelijk onderzoek. Daarmee typeert hij de houding van conventionele economen. Maar ook bij sociologen bemerk ik een zekere afstandelijkheid ten aanzien van economen, hoe sociologisch geinteresseerd ze ook zijn. Geregeld kom ik in emotionele interacties terecht waarbij ik, nog steeds gebrandmerkt als econoom, het verwijt krijg geen begrip te hebben voor het sociologische standpunt.

Het is nu gebruikelijk om de geslotenheid van economen en het wantrouwen van sociologen af te doen als ongepast en kortzichtig. We moeten de dialoog opzoeken, niet waar? We moeten elkaar toch proberen te begrijpen in niet onszelf ingaven in onze disciplinaire posities. We willen toch meer interdisciplinair onderzoek, zeggen de bestuurders. Ja natuurlijk. Maar zo werkt het niet altijd in de academie. Om allerlei redenen, waaronder institutionele, sociale, en academische, werken wetenschappers aan en binnen disciplines. Om deze situatie te verhelderen hanteer ik graag de metafoor van het gesprek. Als econoom ben ik in gesprek met andere economen; als cultureel econoom ben ik in gesprek met andere culturele economen. Empirisch sociologen praten onderling en dat doen ook de hermeneutische sociologen. (Autisten als wetenschappers jammer genoeg vaak zijn, is dit niet letterlijk op te vatten. Het gesprek kan impliciet zijn en laat zich aflezen uit de referenties van een artikel, en de "implied readership", oftewel het gehoor waar de auteur zich op richt bij het schrijven van een artikel of boek.) De gesprekken zijn bepalend onder meer voor waar wat gepubliceerd wordt, wie waar een baan kan krijgen en wie voor welke conferenties wordt uitgenodigd. Zo nu en dan zoeken we het gesprek op met mensen die in een ander gesprek verwikkeld zijn, maar de vraag is iedere keer weer of dat een incident blijft of iets duurzaams heeft. Natuurlijk kan het inspirerend en verfrissend zijn om met anthropologen te spreken, maar waar leidt dat toe? Gesprekken over de disciplinaire grenzen heen, de zogenaamde interdisciplinaire activiteiten, worden wat als ze zelf disciplines worden, zoals in het geval van de socio-economie. (Zelf hoop ik dat zoiets ook gebeurt met de culturele economie.) Zolang dat niet gebeurt hebben wetenschappers er veel belang bij dat de disciplines waarin ze werken distinctief blijft, anders dan andere disciplines. Daar hoort clan gedrag bij zoals het denigrerend spreken over andere disciplines, het volharden in een eigen retoriek met specifieke metaforen, narratieve structuren, voorbeelden ("exemplars"), en afzonderlijke sociale netwerken. (Voor een socioloog is dit ongetwijfeld een open deur; in het land van economen ben ik reeds, zo vrees ik, onverstaanbaar.) De irritaties over en weer zijn alleen maar een bevestiging van de onderlinge verschillen.

Hiermee wil ik niet het terugtrekken achter de grenzen van de eigen disciplines wil goed praten. Het tegendeel is het geval. Door andere disciplines te verkennen, worden de eigenaardigheden en beperkingen van de eigen discipline inzichtelijk. Ik vergelijk dit met de ervaring die Nederlanders hebben die in de VS of waar in het buitenland dan ook gaan wonen: eerst dan wordt duidelijk hoe Nederlands ze zijn, en hoe eigenaardig en beperkt dat Nederlandse is . De introductie van inzichten van andere disciplines kan verder inspireren tot creatieve ontwikkelingen. Ik hoop dat dat het geval is met het sociologische inzicht dat waarden in sterke mate het menselijk handelen bepalen. Maar dat kan niet zonder de nu allesoverheersende metafoor van het rationele individu dat handelt in eigen belang, de baas te worden. Dat deze metafoor zo overtuigend is, heeft veel te maken met haar invloed op de alledaagse retoriek, maar vooral ook dat het fundament is waarop de moderne economische theorie rust. Zouden economen haar opgeven, dan valt een groot deel van hun theoretische bouwwerken in duigen. Laat me dit toelichten.

Mensen bedenken als doelmatige wezens die in eerste instantie uit zijn op het eigen voordeel komt in alle kringen voor vandaag de dag. Denk aldus en een ondernemer die geld doneert voor een goed doel zou dat doen omdat het goed is voor de onderneming. Kinderen die bij hun ouders op bezoek gaan, zouden dat doen met het oog op een erfenis. En Moeder Theresa wilde waarschijnlijk graag in de hemel komen. Al het handelen dient uiteindelijk een eigen nut. Mensen doen goed omdat ze er zelf beter van worden.

Zo denken ligt voor de hand. Sterker nog, denk dat menselijk handelen doelmatig is en gericht op nutsmaximilisatie, en het wordt onmogelijk anders te denken. Moeder Theresa had misschien een verschillend idee over wat tevredenheid en zaligheid geeft dan de gemiddelde zakenman maar dat doet niets af aan het gegeven dat zij, net zo goed als de zakenman, erop uit is geweest haar tevredenheid en zaligheid te maximaliseren, Dat zoveel mensen daarvan profiteerden is mooi meegenomen. (Maar bij redelijk functionerende markten profiteren ook veel mensen van de inspanningen van de zakenman.)

Deze manier van denken vertoont grote overeenkomst met de neoklassieke denkwijze in de economische wetenschap. Het neoklassiek beeld van het rationele, kiezende individu doemt op en het ligt voor de hand te concluderen dan de neoklassieke retoriek (in de zin van wijze van redeneren) na de wereld van economen veroverde te hebben nu ook het alledaagse gesprek beheerst.

Over metaforen gesproken.

Het is belangrijk te beseffen dat het om een metafoor gaat De metafoor is de retorische figuur die een begrip uit één domein doet denken in termen van een ander domein (cf Klamer and Leonard, 1991). Neem de metafoor [tijd is geld>. Mensen die geen weet hebben van de metafoor associeren met het begrip "tijd van allerlei betekenissen waaronder "klok", "haast", "uur", "tijdloos" en "snelheid". "Geld" doet hen daarentegen denken aan bijvoorbeeld "bank", "inkomen", "rijkdom", "geldhoeveelheid", "waarde", "kosten", "prijzen", "duur" en "goedkoop". Door "tijd" aan "geld" te koppelen plaatst de metafoor [tijd is geld> het begrip "tijd" in een nieuw licht. Het zij direct duidelijk dat tijd niet in letterlijke zin geld is. In die zin is de uitspraak onwaar. De metafoor vereist een associatief vermogen dat mensen in staat stelt een keuze te doen uit de vele betekenissen die beide begrippen generen en wel zodanig dat metafoor zeggingskracht krijgt. In de westerse cultuur werkt de metafoor alleen als de keuze voor geld valt op "kosten" ("opportunity costs" in economen taal). Het gaat dus niet om betekenissen als "bank" of "geldhoeveelheid" of "rijkdom" maar op de minder voor de hand liggende betekenis van "kosten". De zeggingskracht van de metafoor blijkt uit de duidelijke betekenis van iemand die op zijn horloge kijkt. Zo'n iemand zegt zoiets als "mijn tijd is kostbaar". "ik moet nu eigenlijk iets anders doen", of "ik verspil mijn tijd," wat allemaal varianten zijn op de thema van de [tijd is geld] metafoor.

Dat metaforen een zeker associatief vermogen vereisen maken kinderen duidelijk. Toen ik mijn zoon vertelde dat we iemand gingen bezoeken die boven New York woonde, wilde hij weten of we in een helicopter gingen. Hij gaf een letterlijke uitleg aan een metafoor die ik niet eens als zodanig had herkend. [Tijd is geld] zegt een vijfjarige niets en ook menig volwassene zal moeite hebben aan te geven welke precieze betekenis met geld te koppelen. De koppeling is niet strikt logisch. Zoals gezegd is de koppeling van betekenissen selectief. De selectie kan ingegeven worden door de culturele context. Het is denkbaar dat in een ashram [tijd is geld] een andere zeggingskracht krijgt doordat geld aldaar de associatie "rijkdom" oproept. Wie tijd heeft is rijk. Dit zou betekenen dat iemand die op zijn horloge kijkt, arm is omdat hij tijd tekort komt. De betekenis van een metafoor ligt dus niet vast. Associaties kunnen verspringen waardoor de betekenis van de metafoor verandert.

Deze korte samenvatting van een zeer uitgebreide en ingewikkelde filosofische discussie heeft als doel de volgende elementen van het spreken in metaforen duidelijk te maken

  • een metafoor is in haar letterlijke zin onwaar
  • een metafoor vereist een associatief vermogen
  • omdat de termen van een metafoor velerlei mogelijke betekenissen hebben, kan de betekenis van een metafoor varieren met cultuur als een beinvloedende factor.
  • een metafoor werkt vooral als het aan het denken zet of verder gesprek stimuleert

Met deze inzichten kunnen we de werking van de neoklassieke metafoor van het rationele individu doorzien.

De neoklassieke metafoor

De neoklassieke nutsmaximaliseerder wordt gauw geidentificeerd met homo economicus die op zijn beurt geassocieerd wordt met de romanheld Robinsoe Crusoe. Homo economicus associeert met doelmatig en redelijk gedrag, net als het soort gedrag dat Robinsoe Crusoe ten toon spreidt wanneer hij alleen op een eiland strandt en in zijn levensonderhoud moet voorzien. Homo economicus staat de associatie toe met een mens van vlees en bloed. Hij is denkbaar zowel als een psychologisch als een sociaal wezen. Net als Crusoe kan hij aan verleidingen blootstaan maar is iemand die zijn ratio laat domineren. Homo economicus gaat berekenend te werk, denkt na voordat hij handelt, en alles wat hij doet dient een duidelijk doel. Wanneer homo economicus kiest, dan kiest hij steevast voor die mogelijkheid die het meeste nut toevoegt. Homo economicus is de persoon die in het gesprek van alledag gangbaar is. Maar het is niet de persoon die in het neoklassieke vertoog figureert.

Laten we in navolging van Deirdre McCloskey de neoklassieke nutsmaximiseerder Max U noemen (naar Max Headroom, een bekende computer persoonlijkheid). Max U is een wiskundige functie die formeel gesproken verstoken is van welke psychologische, sociologische of morele betekenis dan ook. Max U is noch man noch vrouw. Om precies te zijn Max U is een Hamiltoniaan en is daarmee gekoppeld aan het domein van de toegepaste natuurkunde (Sir William Rowan Hamilton was een natuurkundige uit de negentiende eeuw die de formulering van maximalisering onder beperkingen ontwikkelde). Max U is puur formeel, een algoritme. Max U is geen homo economicus en is iets heel anders dan een Robinsoe Crusoe.

De metafoor van Max U, want dat is [het individu is een Hamiltoniaan], is niet waar. Wie haar verwerpt omdat ze niet waar zou zijn, begaat dezelfde fout als mijn zoon die besluit dat onze kennis niet boven New York kan wonen omdat we niet met een helicopter gaan. Milton Friedman had dus gelijk met zijn "as if" constructie -"we argue as if agents solve complicated constrained maximization problems"-want redeneren alsof is redeneren met een metafoor. Verlangen dat de metafoor waar is, of zelfs waarachtig, is onzinnig. Omdat dit een kritiek is die sociologen vaak hebben op deze metafoor, sta ik hier aan de kant van de economen als Milton Friedman en Deirdre McCloskey. Het gaat erom of de metafoor werkt. Voor Friedman is het critierium de correctheid van de voorspellingen die de metafoor genereert. Een ander criterium zou kunnen zijn dat de metafoor tot een zinnige analyse leidt die de verschijnselen die we willen begrijpen, duidt en verheldert.

Max U ontleent als metafoor haar zeggingskracht aan haar heuristische waarde. Hij--of moet ik schrijven het?--leent zich immers uitstekend voor een modelmatige aanpak. De metafoor staat een formele formulering toe en inspireert het gebruik van wiskundige technieken die, als we op Phil Mirowski (1990) afgaan, ontleend zijn aan negentiende eeuwse natuurkunde. Het metafoor past bij een mechanische maar ook bij een systematische voorstelling van de economische werkelijkheid. Max U is een enkel radartje in het mechaniek dat in de eenvoudige versies voorspelbaar reageert en in meer geavanceerde versies een stochastische component heeft.

De heuristische waarde van Max U is bijzonder groot gebleken. Na meer dan vijftig jaar zijn economen er nog niet op uitgekeken. De metafoor blijft het wetenschappelijke gesprek voeden met steeds weer nieuwe mogelijkheden. Steeds weer bewijst het haar vruchtbaarheid in reactie op de aanhoudende kritiek. De kritiek dat Max U a-moreel is, heeft bijvoorbeeld geleid tot analyses met normen in de nutsfuncties en interdependente nutsfuncties. Max U laat zich niet voor één gat vangen!

In wetenschappelijke kringen roept een metafoor snel schrikbeelden op als zou het een willekeur introduceren en een relativerende werking hebben. De instabiliteit van haar betekenissen en haar onwaarheid zou een metafoor tevens immuun voor kritiek maken. Deze opvattingen beheersden onder meer de reacties van economen toen McCloskey (1984) hen wees op

het metaforische karakter van de economische wetenschap. Het gaan evenwel om misvattingen. In de eerste plaats is niet duidelijk hoe wetenschappers zonder metaforen kunnen. Want hoe kunnen zij vooralsnog onbekende fenomenen bedenken anders dan in termen van domeinen die ze reeds wel kennen? Ten tweede is het gebruik van metaforen vatbaar voor kritiek. In het geval van Max U kan de kritiek zich bijvoorbeeld richten op de heuristische waarde van Max U. In de evolutionele speltheorie is Max U inmiddels achterhaald als te beperkend en heeft men voor een minder uitgewerkte metafoor gekozen die het mogelijk maakt uit te gaan van beperkte cognitieve vermogens van rationele individuen. Deze kritiek richt zich dus vooral op de wetenschappelijke benadering waartoe Max U aanzet.

Een andere mogelijke kritiek betreft de betekenissen van de metafoor. De metafoor van Max U is noch onschuldig noch waarden-loos, zoals de wetenschappelijke econoom misschien wil suggereren. De waarden die de wetenschappelijke econoom met Max U benadrukt, betreffen onder meer die van een wiskundige, modelmatige aanpak. Effectief omgaan met Max U vereist een goede wiskundige achtergrond en die moet een wetenschapper maar willen ontwikkelen. Toegepaste economen nemen het dan ook niet zo nauw met Max U. In de modellen van het Centraal PlanBureau en de analyses van onderzoeksbureaus komt Max U niet expliciet voor.

Max U figureert ook niet in de Oostenrijkse benadering. Friedrich Hayek, Ludwig von Mises, Israel Kirzner en Don Lavoie denken niet in Hamiltonianen en schrijven hun economische agenten niet de mechanische algoritmes toe die Max U typeren. Oppervlakkig bezien lijkt hun benadering veel op de neoklassieke omdat het in beide gaat om rationele individuen en de allocatieve efficientie van markten. Maar de metaforen waarin de Oostenrijkers denken zijn eerder organisch en die nodigen niet uit tot een wiskundige wijze van redenering in tegenstelling tot de mechanische Max U.

De betekenissen van Max U

Hoewel een belangrijke waarde van de Max U metafoor een wetenschappelijke is, genereert Max U andere waarden die een rol gespeeld hebben bij zijn overtuigingskracht. Net als de metafoor [tijd is geld], kan de metafoor van Max U van allerlei beelden en waarden oproepen en voedt het bepaalde gesprekken ten koste van anderssoortige beelden, waarden en gesprekken. Bepaalde associaties geven Max U een deel van zijn overtuigingskracht (de wetenschappelijke mogelijkheden vormen een ander deel) maar kunnen ook aanleiding geven tot verwerping van Max U.

Positieve associaties met Max U noem ik associaties die bijgedragen kunnen hebben tot zijn overtuigingskracht. Het gaan hier om associaties; van een logisch verband is meestal geen sprake. Ik noem een aantal.

1. Max U is consistent met het beeld van de rationele mens. Max U is immers niet onderhevig aan emoties, heeft geen last van morele wroegingen, en doet niet aan natte vinger gissingen. Max U is berekenend en dat klopt met het beeld dat sinds de Verlichting bepalend is voor het denken in wetenschappelijke kringen. Waar het wetenschappelijk denken toonzettend werd, zoals in de bedrijfswereld rond de eeuwwisseling en in de overheidsbureaucratie na de tweede wereldoorlog, werd ook het begrip "rationaliteit" gangbaar. Max U profiteerde daarvan.

2. Max U past in het modernistische wereldbeeld waarin de individuele mens een abstractie is (zie de moderne kunst).

3. Max U associeert met moderne waarden als vrijheid en dan vooral keuze vrijheid voor het individu. Het gedrag van Max U wordt niet gedicteerd door tradities en sociale waarden, althans dat is niet het uitgangspunt. Als algoritme maakt Max U zich niet druk over de oorsprong van of invloeden op zijn voorkeuren. Zijn nutsfunctie is een gegeven onder het motto "de gustibus non disputandum", oftewel over smaak valt niet te twisten. Max U is een vrij individu.

4. Max U appelleert aan het beeld van Hobbes en Adam Smith van mensen die hun eigenbelang nastreven. Max U kan rekening houden met het nut van anderen maar is daarin vrij. Max U is geen sociaal of moreel wezen; hij kiest ervoor sociaal of moreel te zijn. Althans dat is de associatie die zijn constructie oproept.

5. De mechanische metafoor van Max U betekent tevens een impliciete waardering van de metafoor van een mechanische wereld die met behulp van een aantal beleidsinstrumenten gevormd kan worden naar de smaak en voorkeuren van politici. Wanneer bekend is welke factoren de keuzes van Max U bepalen, dan weet de beleidsmaker, na advies van de economische deskundige ingewonnen te hebben, welke instrumenten te hanteren om een bepaalde gedragsverandering te bewerkstelligen. Wetenschap van Max U is instrumenteel en dient het heilzame doel van een betere wereld.

Het associeren kan zo even doorgaan. Vooraf kan niet duidelijk zijn waar de associaties onzinnig worden. Belangrijk is het inzicht dat een metafoor als dat van Max U haar overtuigingskracht ontleent aan een tros van betekenissen die haar steunen. Maar in die tros bevinden ook betekenissen die in een andere context of cultuur juist tegen haar gebruikt kunnen worden. In een humanistische, persoonlijke sfeer, bijvoorbeeld, zijn de associaties met het rationele, berekenende, instrumentele en mechanische eerder negatief en roepen weerzin op. Collega's in de letterenfaculteit huiveren al bij de klanken van Max U en zijn verbijsterd te vernemen dat Max U de economische wetenschap domineert. Voor hen is het ontbreken van psychologische, sociale, emotionele en morele elementen een teken van schrijnende armoede. Sociologen, voorzover niet gegrepen door de magie van MaxU, zullen een gelijksoortige reactie hebben.

Homo economicus

Hoe dan ook, de mechanische Max U is niet gelijk aan de organische homo economicus. Homo economicus associeert dan wel met Max U maar is een ander soort. De associatie is het gevolg van gedeelde betekenissen zoals het rationele, doelmatige, en de gerichtheid op het eigen belang. Maar homo economicus is een sociaal wezen dat rekening kan houden met zijn omgeving. Ook is zijn rationaliteit niet zo mechanisch als Max U. Homo economicus is eerder redelijk, of, zoals Adam Smith het uitdrukte, prudent. Homo economicus overziet zijn opties en wanneer de consequenties van zijn beslissingen onzeker zijn, dan laat hij zich leiden door een weloverwogen inschatting van de situatie. En homo economicus kiest.

Hoewel Max U doet denken aan het rationele, kiezende individu, kiest Max U zelf niet. Max U is immers een algoritme dat bepaalt wat de optimale optie is. De veronderstelling van rationaliteit gaat niet verder dan eisen dat Max U die optimale optie verkiest boven alle anderen. Dat is logisch want hoe anders zou hij in alle redelijkheid kunnen handelen? Het handelen van Max U ligt daarmee vast. Gespeend van fundamentele onzekerheden heeft Max U de vrijheid niet om te kiezen. Zijn keuzes zijn gedetermineerd door het algoritme dat hem definieert. Dat is dan ook de belangrijkste reden waarom een econoom als James Buchanan Max U verwerpt. Voor hem is de betekenis van keuzevrijheid te belangrijk om op te offeren voor een wetenschappelijke exactheid. Hij geeft de voorkeur aan de minder strak gedefinieerde, minder formele homo economicus. Neoklassiek geschoolde speltheoretici zijn inmiddels bereid Max U prijs te geven in erkenning van het kennisprobleem in het menselijk handelen. Max U heeft hoogstens een informatieprobleem maar zijn kennis is voorgeprogrammeerd. Wanneer Max U een kennisprobleem krijgt (in de zin dat hij niet altijd weet wat te doen met de beschikbare informatie en mogelijk ook dat hij zelfs niet weet wat hij wil -oftewel hoe zijn nutsfunctie eruit ziet), morele gevoelens heeft, emoties kent, en sociaal gedrag vertoont ondergaat hij een metamorfoses en wordt hij homo economicus.

Gaan we nu over naar het gesprek van alledag dan verdwijnt Max U geheel van het toneel en maakt plaats voor homo economicus. Een aantal van bovengenoemde associaties blijven van kracht maar de wetenschappelijke heuristische waarde van Max U gaat in de overgang verloren, en daarmee ook het wetenschappelijk gesprek in formules en optimaliserings technieken. Er is hoogstens sprake van een aantal overeenkomstige associaties, waaronder die van rationaliteit (maar nu een minder mechanisch begrip dat grofweg neerkomt op "het beste mogelijke doen"), doelmatig handelen, keuzevrijheid, en instrumenteel beleid (maar ook minder mechanisch nu).

De homo economicus is herkenbaar in mijn Nederlandse studenten wanneer ze komen met de standaard vraag: "Wat hebben we hieraan?" Ze denken dan in termen van banen en carrieres, althans dat sterke vermoeden heb ik. De kennis die ik aan hen overdraag, moet een praktisch nut hebben, de universitaire graad heeft voor hen de betekenis van een toegangsbewijs voor de betere en beter betaalde banen. Het kost me dan ook weinig moeite hen duidelijk te maken dat studeren investeren is in economisch kapitaal. Zo denken stemt overeen met hun economische manier van denken over wat ze aan het doen zijn (Dat neemt niet weg dat ze vervolgens de grootste moeite hebben om de gevolgtrekking te accepteren, dat lenen de geeigende wijze van financiering is ingeval van een investering.)

Het denken in termen van doelmatigheid en nutsmaximalisatie stimuleert ook het denken in termen van efficientie, professionaliteit, rationaliteit, beleidsgerichtheid, en meetbaarheid. Het ene begrip roept een tros andere begrippen op die er min of meer mee samenhangen. Zo'n tros maakt een min of meer coherent gesprek (betoog) mogelijk. Spreekt een teleurgestelde voetballer over professionaliteit, dan wil hij waarschijnlijk zeggen dat hij tegen de emoties van teleurstelling moet vechten en doelgericht bezig moet blijven. Spreken bestuurders van universiteiten over professioneel management, dan hebben ze het onherroepelijk ook over rationele procedures, meetbare efficientie, standaarden en normen. Want zo werkt een metafoor.

Naar homo socialis

Het grote voordeel van MaxU over homo economicus is dat MaxU zich zoveel gemakkelijker laat modelleren. Door te spelen met de vorm en inhoud van de nutsfunctie en de beperkingen kan de modelbouwer maxU kneden en strekken zoveel als hij wil. Het levert mooie algoritmes op en genereert gedragsfuncties voor een evenwichts of speltheoretisch model. Alleen daarom zal de economische professie niet gemakkelijk MaxU opgeven. Dat neemt niet weg dat als de modelbouwer met minder precieze formuleringen genoegen wilt nemen-denk aan fuzzy sets-dat homo economicus het net zo goed zou kunnen doen. Ook met mensen die min of meer doelmatig en berekenend handelen krijg je een aflopende vraagfunctie.

Maar ik denk dat we er daarmee niet zijn. Er zijn goede redenen om de metafoor van het menselijk te verrijken met een waardendimensie. Dit is een ingrijpende operatie en zal het economisch gesprek drastisch veranderen met onder meer als gevolg dat het gesprek met sociologen alleszins zinvol wordt. Bewegingen in deze richting zie ik niet alleen bij de socio-economen maar ook bij economen als Amartya Sen end Deirdre McCloskey. De laatste pikt de draad weer op die Adam Smith had gesponnen maar die later door Hicks en vooral ook Samuelson ontrafeld is, en dat is de draad van de deugden. Smith gaf reeds aan dat het economisch handelen ingebed is in een morele context-hij was niet voor niets een morele filosoof. Hij gaf een moreel standpunt toen hij beargumenteerde dat in de burgerlijke samenleving, wanneer mensen meer diensten nodig hebben dan hun naasten hen kunnen verschaffen, zij een beroep moeten doen op het eigenbelang van de bakker, slager en de brouwer, oftewel de kooplieden die niet geen vriend of familielid zijn. Bewonderenswaardig was gedrag niet, maar wel prudent. Tot de dag vandaag leggen economen Adam Smith uit als zou hij dit als een algemene gedragsregel hebben geponeerd. Maar we hebben het over Smith die onder meer een dik boek geschreven over Morele Sentimenten waarin hij empathie als het belangrijkste morele vermogen van de mens vooropstelt. McCloskey pakt de draag weer op met haar werk over burgerlijke deugden. Ze onderscheidt de zeven klassieke deugden. Twee daarvan zijn burgerlijk: prudentie, gematigdheid. Zij staan tussen de anderen: rechtvaardigheid, geloof, hoop, moed en de belangrijkste van alle, de liefde. Haar betoog is er opgericht om collega's in de andere wetenschappen ervan te overtuigen dat de burgerlijke deugden er zeker toe doen en dat ze juist in markten zo goed tot hun recht komen. Haar collega's in de economie wijst ze daarentegen op de vijf deugden die ze in hun analyse geneigd zijn over het hoofd te zien. Ook prudente mensen kunnen niet zonder deugden als geloof en liefde.

McCloskey's belangrijkste bijdrage is het duiden van de deugden. Net als Adam Smith betoogt ze dat markten niet zonder deugden kunnen. Dit is al baanbrekend genoeg want feitelijk zegt deze Chicago econoom dat flexibele prijzen en eigendomsrechten niet voldoende zijn voor goed functionerende markten maar dat er een zekere mate aan deugdzaam gedrag noodzakelijk is. Een teveel aan moed is funest-denk aan de maffia praktijken in het voormalige Sovjet blok-en alsook een te veel rechtvaardigheid-denk aan de welvaartsstaten. Een goede dosis van prudentie is onontbeerlijk-zoals dat het geval was in Nederlands Gouden Eeuw.

Met deze stappen geeft McCloskey niet alleen extra gestalte aan homo economicus, ze zet ook flinke schreden op de sociologische weg van waarden. Langs deze weg, die ikzelf veelbelovend vind, gaat het om een onderzoek naar de waarden die mensen bewegen. Ze dwingt tot een herorientering op de doelen van het menselijk gedrag en de samenleving-in navolging van Karl Polanyi. Economie wordt meer een studie van de generatie van waarden, waarbij het moet gaan om meer dan economische waarden. Meer economische groei, meer winst, meer inkomen kunnen niet het doel zijn, maar zijn hoogstens middelen om andere waarden, sociale en culturele waarden, te realiseren.

Laat ik een voorbeeld geven. Waarom zijn kunstenaars veelal zo huiverig wanneer de markt voor hun werk ter sprake komt? Waarom doen zoveel kunstenaars zo moeilijk wanneer hun geprijsd wordt? Vanuit het standaardeconomisch perspectief is deze achterdocht hypocriet en misplaatst. Want ook kunstenaars moeten leven en zullen daarom toch hun werk moeten verkopen, en de meesten doen dat ook. Daarbij is een goed functionerende markt een goede graadmeter voor kwaliteit. (Of de markt voor kunst goed functioneert, is twijfelachtig maar ook daar weet economen als William Gramp en Bruno Frey een mouw aan te passen.) Desalniettemin, hebben kunstenaars een goede reden om het prijzen van hun kunst in de markt te wantrouwen. Kunstenaars die zich in de markt begeven en het prijsmechanisme de waarde van hun kunst laten bepalen, activeren de waarden die bij de markt horen, waarden als soevereiniteit van de consument, prijs=waarde, ondernemerschap, prudentie en winst. Die waarden kunnen evenwel conflicteren met de waarden waar het hen vooral om gaat, zoals kunstenaarsschap, avant-garde, esthetiek en autonomie van de kunst. De markt compromitteert zulke waarden en daarom doen ze er goed aan zich af te schermen van de markt, of in ieder geval tegen de waarden die in de markt voorop staat. Om gelijksoortige reden zijn er zoveel instellingen die de markt buitensluiten, zoals gezinnen, vriendenkringen, maar vooral ook bedrijven. Want alleen door een bedrijf op te richten en daarbinnen het markgedrag te verbannen, is het mogelijk autoriteit te laten gelden en een beroep te doen op loyaliteit en wederzijds vertrouwen. En gezinnen sluiten de markt buiten om liefde mogelijk te maken-in het positieve en uitbuiting en onderdrukking in de negatieve gevallen.

Bewandel deze weg van waarden, verruim op die wijze de dimensies van homo economicus, en het gesprek met sociologen wordt onontbeerlijk voor ons economen.

Notes

1 Ik meen dat Brigitte Berger één van de sociologen was. Zij heeft tezamen met haar man Peter Berger een belangrijke rol gespeeld in het leven van Anton Zijderveld.
2 Irene van Staveren, 2001.

Referenties

Dalen, Harry van en Arjo Klamer, 1996. De Telgen van Tinbergen: Het Verhaal van Nederlandse Economen. Balans.

Klamer, Arjo, 1987. "As if Economists and their Subjects were Rational." In Deirdre McCloskey, John Nelson and Alan Megill, The Rhetoric of Human Inquiry. Madison: University of Wisconsin University Press, pp 163-183

Klamer, Arjo and Tim Leonard, 1994. "So What's an Economic Metaphor." In: Natural Images in Economics, edited by Phillip Mirowski, Cambridge:Cambridge University Press.

McCloskey, D. N. 1984, The Rhetorics of Economics. Madison: University of Wisconsin Press.

McCloskey, Deirdre, 1996. "Missing Ethics in Economics." In Arjo Klamer (ed), The Value of Culture, Amsterdam: Amsterdam University Press, pp187-204.

Smith, Adam, 1759, 1976. The Theory of Moral Sentiments, ed A.L. Macfie en D.D. Raphael, 1976 (oorspronkelijke editie dd 1759, zesde herziene druk in 1790).

Irene van Staveren, 2001. Values and Economics, London: Routledge.