Amsterdam worstelt met de uitbreiding en/of verhuizing van zijn Stedelijk Museum. En het nieuwe college van b. en w. van Rotterdam wordt afgeschilderd als een groep cultuurbarbaren die de kunsten enkel zien als bezuinigingspost. Keren de grote steden de kunsten de rug toe? Of schreeuwt de kunstsector te hard? De visies van twee betrokken wethouders en een hoogleraar.
"Het is altijd hetzelfde liedje in de kunstwereld", zegt Arjo Klamer, hoogleraar in de economie van de kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. ,,Als er bezuinigingen dreigen op kunst, schreeuwen de kunstpausen meteen moord en brand. Wie het in dit land waagt maar een vinger uit te steken naar de kunstsubsidies, is een cultuurbarbaar of grenzeloos oppervlakkig. De doorsnee bestuurder vindt het niet leuk om voor dom versleten te worden en de hele culturele elite over zich heen te krijgen. En zo blijft het kunstsubsidiecircus vrolijk doordraaien."
Het zal hem waarschijnlijk niet in dank worden afgenomen, zegt de professor, maar hij wil het toch kwijt. ,,Wat ik ook zo'n gênante vertoning vind is hoe de kunstpausen moeiteloos hun beleidsprogramma's aanpassen om maar de subsidiestroom op gang te houden. Als bijvoorbeeld het Rotterdamse college van b. en w. meer geld wil uittrekken voor de thema's 'veiligheid' en 'jeugd', voeren de kunstinstellingen die sleutelwoorden meteen in in hun beleidsplannen."
Nog een voorbeeld. Een van de argumenten van de Amsterdamse kunstwereld tegen de verhuizing van het Stedelijk Museum naar de Zuidas, is dat dat ten koste gaat van het economisch belang van de stad. Er zouden minder toeristen komen naar de binnenstad. Volgens Klamer haakt de kunstelite hiermee behendig in op het economisch getinte verhaal van het college van b. en w. dat door een combinatie van bedrijven en een museum de grondprijs van de Zuidas zal stijgen. Die waardevermeerdering wil het college ten goede laten komen aan het museum.
Het zijn allemaal gelegenheidsargumenten die alleen maar worden bedacht om de subsidiestroom in stand te houden, zegt Klamer. ,,Ik durf als econoom de stelling aan dat als je een bom op het Stedelijk Museum of het Rijksmuseum zou laten vallen, de economische effecten voor de stad niet groot zullen zijn. Er komen misschien wel wat minder toeristen, maar het verschil zal marginaal zijn. Toeristen komen zelden of nooit alleen voor een museum, ze komen ook voor de historische binnenstad van Amsterdam en andere trekpleisters."
Buiten dat vindt de hoogleraar het ,,bezopen" dat de kunstwereld het economisch belang laat meewegen, of het thema veiligheid. ,,Het doel van kunst is niet om geld te maken of de veiligheid op straat te bevorderen. Kunst is bedoeld om te inspireren, te ontroeren en de kwaliteit van het leven te veraangenamen. Dat dat ook economisch voordeel genereert, is mooi meegenomen, maar niet het hoofddoel."
Kunsten zijn van grote waarde voor de samenleving. Maar doordat de overheid de financiering via de belastinggelden laat lopen, is er nog weinig besef van die waarde. ,,Het kunstpubliek is verwend. Kunstliefhebbers, doorgaans hoog opgeleid en redelijk vermogend, zitten dank zij de overheid voor een dubbeltje op de eerste rij." Klamer vindt dat het excuus dat anders de minder bedeelden niet van kunst kunnen genieten, niet meer mag tellen. ,,Wat zwaarder moet wegen is dat kunst weer de waarde moet krijgen die ze verdient."
Klamer trekt een parallel met religie en voetbal, die voor veel mensen ook van grote betekenis zijn en zorgen voor zingeving in het leven. ,,Maar voetbalclubs en religieuze instellingen worden niet gesubsidieerd. De mensen moeten zelf veel offers brengen voor hun liefde en ik denk dat ze daardoor ook veel beter de waarde ervan beseffen."
Met de kunst moet het ook die kant op, meent Klamer, die zeventien jaar in de Verenigde Staten woonde en werkte. In de VS is het heel gewoon dat rijke mensen de kunsten steunen met giften. ,,Als je lid bent van een kerk, vind je het ook vanzelfsprekend geld te geven om de boel in stand te houden. Waarom zou dat anders moeten zijn als het gaat om een kunstinstelling?"
Klamer denkt heel concreet aan de oprichting van een reeks kunstfondsen, waarin de kunstliefhebbers geld kunnen storten, waardoor deze de taken die de overheid wil laten liggen, gaan overnemen. Zo gek is dat ook niet, want voor de oorlog was dat de gewoonste zaak van de wereld. ,,Hoeveel musea en museumcollecties zijn er niet gekomen dankzij particuliere giften? Het museum Van Abbe, de collectie van Boijmans Van Beuningen, en nog veel meer. Gelukkig zijn er ook nu nog rijken die royaal de kunsten steunen, zoals Joop van Caldenborgh in Rotterdam. Maar waar blijven al die nieuwe rijken die van gekkigheid vaak niet weten wat ze met hun geld moeten doen?"
Uiteindelijk zal het de kunstwereld alleen maar ten goede komen, meent Klamer. ,,De kunstinstellingen richten hun energie nu zo sterk op het instandhouden van de subsidiestroom en willen zo graag de overheid behagen, dat dat naar mijn mening ten koste gaat van de kwaliteit van de kunsten. Niet voor niets wordt in de VS veel meer experimentele kunst gemaakt. Hier dreigen we af te glijden naar overheidskunst."