Het vertrouwen is in de samenleving

by Arjo Klamer
Forthcoming
cat: economies

Gelooft u dat economie zal blijven groeien of bent u er van overtuigd dat dit niet zo door kan gaan? Vertrouwt u erop dat de markt alle problemen gaat oplossen? Of zet u uw geld toch liever in op de overheid? Of hebt er helemaal geen fiducie in?

Had die vragen eind 1989 gesteld en de antwoorden zouden vol optimisme zijn. Met het neerkomen van de muur op 9 november 1989 was een eind gekomen aan de ideologische tweedeling in de wereld. Het geloof in een dirigistische economie was als een zeepbel uiteengespat. Karl Marx had afgedaan. De nieuwe held was Adam Smith, de Schotse morele filosoof die gewezen had op de krachten van de vrije markt. "Laissez faire" werd de nieuwe strijdkreet. De voormalige Sovjet landen begonnen direct met het privatiseren van overheidsbedrijven en het loslaten van de prijzen om zo de vrije markt de ruimte te geven. Ook in het westen begon de marktbenadering het denken en het handelen te bepalen. In de globale markt zou de economie ongebreideld kunnen groeien. Althans dat was de overtuiging die na 9 november 1989 overheerste.

Dat nu het thema vertrouwen hoog op de agenda staat, geeft aan dat het optimisme van die tijd omgeslagen is in twijfel en scepsis. Ook Nederlanders, traditiegetrouw een volk met veel vertrouwen in de medemens en de samenleving, zijn gaan twijfelen. Aan de mogelijkheid van een duurzame groei bijvoorbeeld. Kan het wel zo door gaan, is dan de vraag. Kunnen we dit welvaartsniveau wel handhaven als we daarvoor hulpbronnen moeten uitputten en de natuur uitwonen? Wat als een paar miljard Chinezen en Indiërs eenzelfde welvaartsniveau als die van het rijke westen realiseren en massaal auto's gaan rijden, airconditioners laten draaien, en vlees willen eten? En hoe goed is die markt nu echt voor ons? Werkt die wel zo goed in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, het vervoer, de kunsten, het onderwijs?

Vooral het besef van de globale gevolgen van aanhoudende economische groei stemt gauw hopeloos. Zeker hier, in dit kleine land. Hoe kunnen we als klein land ooit greep krijgen op de globale ontwikkelingen? Het indraaien van spaarlampen, het monteren van zonnepanelen, het aanschaffen van een zuinige auto en het minderen van vleesconsumptie, de bedoelingen zijn goed maar het blijven loze gebaren in het grote geheel. Dit hopeloze gevoel heet ook wel het Malthussiaans gevoel, genoemd naar de negentiende eeuwse Britse econoom die een crisis als onvermijdelijk antwoord zag op een onstuimige bevolkingsgroei. Wilt u zich wapenen tegen dat hopeloze gevoel dan zou u uw geloof kunnen vestigen op de technologische ontwikkeling. Want Malthus voorzag niet dat technologische ontwikkelingen in de landbouw zijn crisis onnodig maakten. Dus misschien voorzien ook wij nu niet de technologische ontwikkeling die hoge welvaart voor de Chinezen en Indiërs mogelijk maakt zonder de kaalslag die nu voorspeld wordt.

Voor mijn antwoord op de huidige vertrouwensbreuk laat ik die vermeende technologische doorbraken voor wat het is. Misschien worden we verrast. Misschien wordt het rijden op waterstof haalbaar. Misschien ook niet. Wat er ook gebeurt, als econoom kijk ik in de eerste plaats naar de prijzen. Doen de Chinezen en Indiërs een grootschalig beroep op voedsel en grondstoffen om hun toenemende welvaart te realiseren, dan zullen we dat allemaal merken aan de kassa en de pomp. De dramatische stijging van voedselprijzen is een voorbode van wat ons te wachten staat. Neemt de prijs van een goed toe, dan kunnen we daar uit afleiden dat dat goed kostbaarder wordt, en schaarser. Prijzen hebben een signaal functie. Daarom is het overigens verstandig alle kosten door te berekenen in de prijs, zoals de kosten met betrekking tot het milieu. Dat zou goederen als vliegtickets en vlees duurder maken. Leuk wordt dat niet maar wel realistisch. Hogere prijzen zullen mensen dwingen hun gedrag aan te passen. Door minder te vliegen bijvoorbeeld, of minder vlees te eten. Of iets uit te vinden wat we nu niet kunnen bedenken.

De veranderingen zullen hoe dan ook groot zijn. Mensen zullen nog onzekerder worden dan ze nu al zijn. Vooral mensen met lage inkomsten zullen getroffen worden. Wat te doen? Betekent dit dat we nog meer aan de markt willen overlaten. Of moet de overheid haar greep op de samenleving juist versterken? Of is er een alternatieve respons denkbaar?

Mijn vermoeden is dat een belangrijke oorzaak van het tanende vertrouwen in deze samenleving niet zozeer de angst is voor een onzekere toekomst maar meer het gevolg is van een onevenwichtigheid in de manier waarop we een en ander benaderen en aanpakken. In het verleden hebben we te veel vertrouwd op een overheid die al onze problemen wel zou oplossen, toen dat niet werkte, hebben we ons geloof gevestigd op de markt en nu dat ook niet werkt, lijkt het alsof we geen andere opties meer hebben. We zitten klem. Alsof er geen derde optie is. Alsof we niet iets anders kunnen denken.

Door duidelijk te maken dat er wel een derde optie is die naast die van de markt en de overheid opereert, hoop ik zicht te geven op een andere toekomst. Daarmee zijn niet alle vragen beantwoord maar we moeten ergens beginnen.

Om het alternatief helder te krijgen, begin ik met de logica van de markt en die van de overheid en hun wisselwerking.

Rond 1989 had de overheid nog steeds een dominante rol in de economie. De roep om meer markt was duidelijk het gevolg van een toenemend wantrouwen ten aanzien van de vermogens en intenties van overheden en haar dienaren. Dat bijvoorbeeld de gezondheidszorg de markt op moet, is omdat bestuurders (en mijn beroepsgroep, de economen) meenden dat mmbtelijk aangestuurde organisaties inefficiënt zouden zijn, teveel gericht zijn op aanbodsfactoren en te weinig prikkels geven om de cliënten goed van dienst te zijn en de ambtenaren tot betere prestaties te brengen. Het wantrouwen betrof niet zozeer de medische deskundigheid maar het vermogen tot efficiëntie en, zoals dat in economen taal heet, vraag gericht te werken. Daarbij kwam het wantrouwen in de bedoelingen van mensen in ambtelijke omgevingen. Ze zouden meer met hun eigen positie begaan zijn, met het volgen van regels, dan met het lot van hun cliënten. Berucht is de loketbeambte die meer geïnteresseerd is in de gesprekken met de collega's dan in de burger die al lang staat te wachten.

De logica van de markt staat haaks op die van de overheid en lijkt daarmee een adequaat antwoord te zijn op het wantrouwen in de overheid. In de markt draait alles om de transactie en het resultaat daarvan. "Wat levert het op", wordt de hamvraag. Cliënten worden klanten en die zijn koning. Dienstbaarheid aan de klant is de norm want dat levert in de markt het meeste op. Zijn de regels alles bepalend in de logica van de overheid, in de logica van de markt hebben de prijzen het voor het zeggen. Willen de klanten de prijs niet betalen die nodig is om de dienstverlening te bekostigen, dan schort er blijkbaar iets aan de dienstverlening, of aan de marketing. Presteert iemand ondermaats, dan straft de markt hem of haar direct af. Prijzen in de vorm van lonen, bonussen en dergelijke vormen de prikkel die mensen tot optimale prestaties brengen. In de markt geen gelanterfant zoals in de overheid. Daar zorgt de tucht van de markt voor.

We hebben dus twee vormen van logica die ik met twee vierkanten uitbeeld:
Logica van de markt

Logica van de markt Logica van de overheid
Transacties Diensten
Prijzen Regels
Vraaggericht Aanbodgericht
Vrijheid van keuze Collectief belang/rechtvaardigheid
EfficientieEffectiviteit

Het nut om de vierkanten naast elkaar te zetten is dat je direct inziet dat de logica van de één wantrouwen oproept ten aanzien van de logica van de ander. Net zo goed als de logica van de overheid wantrouwen oproept bij mensen die zweren bij de logica van de markt, zo maakt de logica van de markt mensen die eerder in de logica van de overheid geloven wantrouwend. De laatste groep wantrouwt vooral de bedoelingen van marktpartijen. Zij zien de zelfverrijking van zakenlieden, de ontduiking van belastingen, fraude en corruptie. Volgens hen brengt de markt het slechtste van mensen naar boven, zoals hun hebzucht, kortzichtigheid en meedogenloosheid. Als het om het resultaat gaat wordt iedereen en alles een instrument tot dat doel. En dat zou immoreel zijn.

Niet alleen roept de logica van de één het wantrouwen op van een ieder die een andere logica aanhangt, het wantrouwen is verder ook ingebakken in de logica van zowel de overheid als de markt. In de markt leer je de bedoelingen van de ander te wantrouwen. Een bedrijf dat zich inspant voor een maatschappelijk doel zou het doen om er zelf beter van te worden. De reden is dat de relatie in de markt gereduceerd word tot een quid pro quo: een kwestie van gelijk oversteken. De logica van de markt dwingt een ieder goed op te letten om te voorkomen dat een ander met de buit vandoor gaat. Maar ook de logica van de overheid voedt het wantrouwen. Je leert dan dat mensen altijd regels proberen te omzeilen, dat als voor de een uitzondering gemaakt wordt, anderen dezelfde uitzondering willen. Regels roepen andere regels op. Gaat een uitbater slordig om met de kerstversiering, met als gevolg een brand en een aantal doden, dan reageert de overheid met meer regels om een herhaling te voorkomen. Uitgangspunt is dan dat uitbaters niet te vertrouwen zijn.. En omdat bedrijven niet te vertrouwen zijn, staat een batterij regels klaar om ze in de pas te houden. Wantrouwen is ook het uitgangspunt van management in het bedrijfsleven en overheidsorganisaties. Contracten, formulieren regels en sancties zijn nodig omdat medewerkers wel eens slechte bedoelingen zouden kunnen hebben. Geformaliseerd wantrouwen noemen we dat

In dat licht is het opmerkelijk hoeveel vertrouwen er nog is in de markt en bij de overheid. Iemand vertelde me onlangs hoe hij namens een groot bedrijf zaken deed met zigeuners. Het ging om grote partijen schroot voor veel geld. Hij ging met hen praten, en dan nog eens om uiteindelijk tot een deal te komen. Handen werden geschud en dat was het dan. Aankomen met een contract was ondenkbaar; het werd gezien als een teken van wantrouwen. Het ging nooit fout zolang hij in gesprek met ze bleef. Maar ook ik vertrouw mijn loodgieter dat hij zijn werk goed doet en dat zijn rekening klopt, dat mijn studenten hun best doen en dat het ziekenhuispersoneel deskundig is. En u? En wat een vertrouwen van de conductrice die mij zonder kaartje in liet stappen en genoegen nam met mijn verzekering dat ik in het volgende station een kaartje zou kopen.

Onder mijn collega economen is het gebruikelijk dergelijke tekenen van vertrouwen te wantrouwen. Er zal wel weer iets achter steken. Maar zij hebben ongelijk. De reden is dat het plaatje met de twee vierkanten incompleet is. Zowel de markt als de overheid zijn oneigenlijke, voor ons mensen onnatuurlijke logica's. We kunnen er goed mee overweg en ze hebben ons veel welvaart gebracht. Maar ze missen het belangrijkste.

Het belangrijkste is de basis van ons handelen. Die basis ligt thuis, in de zogenaamde oikos. Onze oikos staat voor de gemeenschap van mensen met wie we een wezenlijke binding hebben, een binding die alleen met grote pijn verbroken kan worden. In de oikos leren we over relaties, over afhankelijk zijn en verantwoordelijkheid nemen, over liefde en zorg, maar ook over onderdrukking en misbruik. Een sterke oikos is de basis van het persoonlijke leven en daarmee ook van het maatschappelijke leven.

Vanuit de oikos leren we vervolgens hoe te opereren in de sociale sfeer, oftewel de sfeer buiten de oikos waarin we ons tot andere mensen en groepen mensen verhouden. Dat is de sfeer waarin we vriendschappen sluiten, kennissen kringen ontwikkelen, relaties aangaan met buurtbewoners, een verband zoeken met gelijkdenkende (zoals in kerken en politieke partijen), samen sporten, en samen leren (in scholen en op universiteiten). Kenmerkend voor de relaties in de sociale sfeer is dat ze in tegenstelling tot de relaties in de markt en de overheidssfeer gebaseerd zijn op vertrouwen. In deze sfeer reken je niet direct af, eerder het tegendeel, je houdt wederzijdse verplichtingen aan want die houden de relatie gaande. Je tekent geen contract met je vrienden en collega's, en je laat de relatie ook niet beheersen door overheidsregels of managers.

Ik hoef nu mijn punt alleen nog maar in te koppen. Het gaat om de samenleving, stupid. De sociale sfeer is de basis van het vertrouwen. Het verlies dat Nederlanders ervaren, is een indicatie dat die samenleving verzwakt. Dat dit gebeurt, is ook het argument van wetenschappers als Robert Putnam, Francis Fukuyama en Amitai Etzioni. Werken aan vertrouwen betekent dus werken aan de sociale sfeer. In de zorg gaat het nu om de zorg die in de oikos en de sociale sfeer gerealiseerd wordt, dus mensen die voor elkaar zorgen omdat ze iets met elkaar hebben. Daarom roep ik waar ik maar kan dat (hoge)scholen weer echte scholen moeten worden in plaats van de onderwijsfabrieken die ze veelal nu zijn, en universiteiten gemeenschappen moeten willen zijn met de wetenschap als hun inhoud (en om daad bij het woord te voegen, heb ik het initiatief genomen tot de oprichting van academia Vitae, een universiteit die vierkant in de sociale sfeer moet opereren). Daarom is de discussie over de rol en waarden van nieuwkomers in onze samenleving zo essentieel. We willen met elkaar omgaan om een sociale sfeer met elkaar gemeen te hebben. Die gedeelde sociale sfeer is de voorwaarde van wederzijds vertrouwen.

Kortom, een nieuwe koers is geboden, een koers die gericht is op versterking van de sociale sfeer. Aan het vertrouwen dat we ontlenen aan een sterke samenleving, kunnen we hoop putten voor de toekomst

Arjo Klamer is decaan van de Academia Vitae te Deventer en hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit.