Er waait een andere wind in economisch en organisatorisch Nederland. Het is een stevige en harde wind die uit de VS is komen aanwaaien. De cultuur wordt Amerikaanser, harder dus, economischer en individualistischer. Roepen dat efficiëntie prioriteit nummer één dient te zijn, dat er meer resultaat-gericht moet worden gewerkt en dat we zakelijker moeten opereren, mag tegenwoordig in dit land.
Sterker nog, het moet om geloofwaardig te blijven. Of we er beter van worden, is nog de vraag.
Je zou kunnen zeggen dat het om een nieuwe ideologie gaat, want het lijkt wel of er geen weerstand meer is tegen deze Amerikaanse wind. Sputteren mensen tegen, dan krijgen ze te horen dat ze achter de feiten aanlopen, tegen vernieuwing zijn, niet meegaan met hun tijd, veranderingen in de weg staan. En dat wil niemand, dus doen de sputteraars er snel het zwijgen toe. Zo gaat dat met een ideologie.
Dat merken onder meer de vakbonden met hun verzet tegen de vernieuwingen die het management van de Nederlandse Spoorwegen wil doorvoeren. Het management wil met hun tijd mee. De spoorwegen moeten meer bedrijf worden. Dat betekent dat de bedrijfsvoering efficiùnter moet en dat de klant nummer ÙÙn moet komen te staan. De machinisten, conducteurs en alle andere personeelsleden moeten een stapje terug doen.
Dit veranderingsproces is al jaren gaande. De strijd over het beruchte 'rondje om de kerk' verhult een dieper liggend conflict. De werknemers hechten aan de situatie van voorheen waarin zij misschien niet formeel maar wel informeel zich medeverantwoordelijk konden voelen voor wat in de NS gaande was. Hun standvastigheid wekt irritatie op. Het lijkt erop dat ze hardnekkig vasthouden aan eerder verworven voorrechten en daarmee noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Dat irriteert, omdat veranderingen en vernieuwingen wel moeten. Althans dat houden we elkaar voor.
Bij mijn eigen instelling broedt een dergelijk conflict. Ook bij ons moet de aanpak zakelijker. Bestuurders worden managers die de diensten van ons, de docenten, inhuren om een product te leveren aan de klanten, de studenten. Het klinkt stevig, maar voor een universiteit zal deze aanpak een averechts effect hebben. Want een universiteit is en moet een ideùle gemeenschap zijn. Zonder die ideùle doelstelling zullen wetenschappers vervreemden van hun universiteit. Want waarom zouden we genoegen nemen met een ondermaatse beloning als het toch om een bedrijf gaat? Waarom zouden we ons nog druk maken en ons verantwoordelijk voelen voor de gang van zaken? Veranderingen zijn niet altijd een verbetering.
Ik stel me voor dat de machinisten en conducteurs bij de NS een dergelijke reactie hebben op de zakelijke aanpak van hun management. Voor hen was de NS een warm bedrijf waar het over iets ging, over een maatschappelijk belang vooral en natuurlijk over het spoor. Ik ken verschillende NS-werknemers die thuis een model spoorbaan hebben. Voor hen is de NS behalve een bron van inkomsten vooral ook een liefhebberij. Zij identificeren zich met het spoor en alles wat daarmee samenhangt. In de nieuwe zakelijke wind die nu door het bedrijf waait, verwaaien dergelijke sentimenten. En daar zijn tegen in het geweer gekomen. En waarom ook niet?
In de organisatieliteratuur zijn de beperkingen van de zakelijke aanpak al lang een belangrijk thema. Het ene boek na het andere betoogt dat de manager meer moet zijn dan iemand die de zaken goed regelt. De manager zou ook een leider dienen te zijn die kan inspireren en teamspirit weet te kweken. Het gaat dan om de bedrijfscultuur, om de waarden die de mensen in een organisatie met elkaar delen. Dat kunnen zakelijke waarden zijn (laten we vooral veel geld verdienen!), maar het is waarschijnlijker dat het om andere waarden gaat, om waarden die kunnen inspireren.
Ook deze boodschap komt uit de Verenigde Staten aanwaaien. In die cultuur komt ze niet als een verrassing. Van kinds af aan leren Amerikaanse kinderen om in teams te leren en te werken. Sociale waarden zijn een vast onderdeel in het programma van de Amerikaanse basisscholen. En op de middelbare school leren de leelringen hoe ze kunnen opgaan in de gemeenschap die zo'n school vertegenwoordigt.
Nederlanders kennen dat alles niet. Dus richten de Nederlandse managers zich eenzijdig op de zakelijke kant van de Amerikaanse aanpak en verwaarlozen ze de andere, sociale en culturele kant. Het kan niet anders dat ze daardoor snel zelf achter de feiten zullen aanhollen. De wind slaat dan wel weer om. GPD