Nederlanders kunnen veel beter samen dan concurreren

by Arjo Klamer
De Twentsche Courant Tubantia, 20 December 2002
cat: Dutch; columns

De parlementaire enquête naar bouwfraude in Nederland eindigde in duidelijke taal. Het is goed als fraude blootgelegd wordt en fraudeurs aan de schandpaal worden genageld. Het is goed dat de bouwwereld duidelijk is gemaakt dat hun praktijken ongeoorloofd zijn. En het zou goed zijn als we doorgaan met het aan de kaak stellen van onoirbare praktijken.

Laten we tegelijkertijd oppassen voor overhaaste conclusies. Het gevaar is levensgroot dat deze zaak maatregelen stimuleert die de samenleving alleen maar harder maken en ondraaglijker, en eerder meer wangedrag genereert dan minder.

De belangrijkste conclusie die uit de fraudezaak getrokken wordt, is dat er te weinig concurrentie is. En voorzover die er officieel wel is, dat er door de bouwers niet naar geleefd wordt. Bouwondernemingen die met elkaar afspreken wie welke opdracht krijgt, concurreren niet, maar werken samen. Dat mag niet volgens de Europese mededingingsvoorschriften, dus zijn die ondernemingen strafbaar.

Dus moet samenwerking verboden worden om de weg vrij te maken voor volledige concurrentie.

De enquˆte-commissie bepleit het einde van 'smeren en fêteren' en het begin van nieuwe zakelijkheid. De vraag is of die conclusie wel klopt. De oorzaak van de geconstateerde wanpraktijken zou wel eens een teveel aan concurrentie kunnen zijn.

Nederland is een gek land. Je zou het niet zeggen want iedereen doet zo normaal. Maar voor iemand die lange tijd in de VS heeft gewerkt, zoals ondergetekende, komt de behoefte van Nederlanders aan eindeloos overleg raar over. De Eskimo's hebben vele synoniemen voor sneeuw; het Nederlands heeft er talloze voor praten (kletsen, kwetteren, babbelen, beppen, o-h-en) en ga zo maar door. Praten is blijkbaar belangrijk hier. Zodra er iets is, gaan Nederlanders om de tafel zitten.

Het wemelt dan ook van praatorganen, zoals de SER. Dat vele praten komt inefficiënt en vooral ook saai over op de buitenstaander, maar het heeft wel terdege een functie. Het vele praten houdt de boel bij elkaar. Je kan niet al te gekke dingen doen en zeggen wanneer je weet dat je de volgende dag weer met de andere partijen om de tafel zit. Aan tafel is redelijkheid troef. Dat eindeloze overleg zorgt voor stabiliteit, redelijkheid en fatsoen. Het oogt gek, maar de uitkomsten zijn dat niet.

Die stabiliteit, die redelijkheid en dat fatsoen komen op de helling wanneer deze praters moeten gaan concurreren, en wanneer ze zich zakelijkheid moeten aanmeten. En dat moesten ze de afgelopen twintig jaar. Praten mocht niet meer. Het werd zelfs strafbaar. Zakelijkheid vraagt erom voor je eigen zaak op te komen, en je te richten op de prijs.

Het principe van concurrentie dwong de bouwers zelfstandig, en dus zonder overleg, offertes in te dienen bij opdrachtgevers om vervolgens te hopen dat hun prijs de beste is. Dat klinkt stevig en flink, maar werkt het ook?

Nederlandse bouwers halen je snel uit de droom. Zo concurreren genereert veel onzekerheid en leidt tot instabiliteit. Een offerte kost veel werk en geld. Het plannen van grote bouwprojecten is ingewikkeld. Je verrekent je gemakkelijk. Miljoenen staan op het spel. Dus waarom niet met elkaar overleggen? Waarom het risico niet delen door overeen te komen dat degene die de opdracht krijgt de anderen de kosten van hun offerte vergoedt? Samen sta je sterker. Blijkt een gemeenschappelijk voorbereid project verkeerd uit te pakken, dan kan daar bij een volgend project rekening mee gehouden worden.

Gebeurt dat alles openlijk, dan zullen de partijen er belang bij hebben redelijk en fatsoenlijk te blijven. Exorbitante winsten zijn uit den boze. Maar die vorm van samenwerking mag niet meer. Er moet geconcurreerd worden.

Het bloed kruipt evenwel waar het niet gaan kan. Je kan Nederlanders het overleggen niet ontzeggen. Alleen moet het nu in het geniep. En dan gaat het fout. Want de heren en dames voelen zich minder gebonden door de normen van fatsoen en redelijkheid, gaan smeren en fêteren op onbehoorlijke wijze, en kijken elkaar er niet meer op aan wanneer de een en dan de ander grote sommen gelden wegsluist naar buitenlandse rekeningen.

Mijn stelling is daarom: Nederlanders zijn in het algemeen beter in het samenwerken dan concurreren. Verbiedt hen het samenwerken, dan doen ze het toch, maar in geniep met alle kwalijke gevolgen van dien. Het zou beter zijn openlijke vormen van samenwerking toe te staan, ja zelfs te stimuleren. Maar dat kan niet meer. Het concurreren moet van de Europese Unie. En zo zie je weer eens hoe we in de Europese context onze aard moeten verloochenen.