
Geachte Rector, geachte studenten.
Inderdaad, ik adresseer u als studenten, want u en ik zijn niet alleen oud genoeg om te beseffen dat we nooit te oud zijn om te leren, maar we zitten hier in de aula van de Erasmus Universiteit, zo is mijn veronderstelling in het besef dat leren ook een kwestie van studeren is, van lezen dus, van nadenken, en vooral van vragen stellen. Laat ik dat maar eens hardop zeggen, want ik vraag me af of het wel zo duidelijk is.
Vorige week sprak Alumna mevrouw Kroes bij de opening van het Academisch Jaar. Ze hield een vlammend betoog om de aankomende, jonge studenten, te overtuigen hun kansen te nemen. Die kansen zijn groot, zo betoogde ze, want we leven in een bijzonder tijdsgewricht waarin jongeren in kennis de ouderen de baas zijn. Ze refereerde daarbij naar de digitale wereld waarin jongeren zoveel meer thuis zijn dan u en ik. Die observatie is juist. Velen van ons zijn digibeten vergeleken met onze kinderen en kleinkinderen. Sommigen van ons zijn digitale immigranten, zoals zij dat noemde: wij zijn nieuw in een wereld waarin de jongere generatie geboren en getogen is. Velen van u, zo begrijp ik, kunnen mailen en surfen. Maar de meesten van ons, jazeker ik ook, kunnen nog heel veel leren. Ik sta vaak versteld wat die kinderen van mij met een paar muisknoppen kunnen realiseren. Een boekbespreking? Geen punt. Klik, klik, en dan nog een paar klikken, voila. Een mooie powerpoint, een leuk ontwerp, een gek spel, ze draaien de hand er niet voor om. Een paar klikken volstaan. Razend knap.
Het lijkt vandaag de dag visionair om te voorspellen dat de digitale wereld de toekomst gaat beheersen, dat alles en iedereen, en dus ook alle kennis met een paar klikken binnen bereik is. Eurocommissaris Kroes leek die visie ook uit te dragen. Gaan u en ik daarin mee dan doen we er goed aan het hoofd te buigen en te erkennen dat we de toekomst aan de jeugd moeten laten, en dat de tieners en twintigers ons dienen te onderwijzen in plaats van wij hen.
De tieners en twintigers van nu zijn ook wel de Einstein generatie genoemd. Jeroen Boschma en Inez Groen begonnen ermee in 2006. Ze zouden Einsteins in de dop zijn niet alleen omdat ze digitaal zo slim zijn maar ook omdat zo zo goed zijn in Multi tasking-wat zoveel betekent als meerdere dingen tegelijkertijd doen. Zitten ze met een laptop in de collegezaal dan kan je ervan op aan dat ze met een half oor naar het college luisteren, en ondertussen MSN-en met vrienden, hun facebook bijhouden, wat rondkijken op het net, en dat alles min of meer tegelijkertijd. Dat is de Einstein generatie. Ik hoor er vaak naar verwijzen, vooral in onderwijsland door bestuurders. De implicatie is dat wij, oudere docenten, een soort dinosaurussen zijn, en hen niks meer te vertellen hebben. Want wie haalt het in zijn hoofd dat hij een Einstein nog wijzer kan maken? Wat doen we hier nog, dacht ik terwijl ik naar mevrouw Kroes zat te luisteren?
En ik dacht even terug aan de tijd in het begin jaren zeventig, toen ik met een groepje studenten had besloten dat onze oudere docenten van het Marxisme geen kaas hadden gegeten, en wij hen wel eens zouden duidelijk maken hoe het allemaal zat, met de economie, met de wereld en zo. De oudere generatie had er per slot van rekening zo'n puinhoop van gemaakt, dat zij ons toch niets te leren hadden.
Ik moet u bekennen dat ik me erger aan dat minderwaardig gedoe van mijn generatie. Mijn vader heeft me geleerd dat mijn ergernis eerder iets zegt over mezelf dan over degene aan wie ik me erger. Misschien herken ik wel te veel van de teleurstelling in wat wij er van gemaakt hebben. Want is de puinhoop die wij georganiseerd hebben, niet zeker zo groot als die van toen? Wie hebben alle bonussen opgestreken? Wie heeft ervoor gezorgd dat een belangrijk deel van de bevolking kwaad is? Wie heeft gezorgd dat de onttakeling van het milieu en de ongelijkheid wereldwijd zo is toegenomen? Vrijheid en blijheid moesten het zijn. Zie wat daar van gekomen is. Het is de slapheid van mijn generatie, waar ik me misschien aan erger, of is het een gebrek van verantwoordelijkheidsgevoel.
Want het is natuurlijk onzinnig dat wij de Einstein generatie niets te leren hebben. Om bij mijn vak te blijven, je kan met een paar klikken weliswaar van alles en nog wat over de economie te weten komen, maar daarmee begrijp je die economie nog niet. Daar is jarenlange studie voor nodig. Mijn studenten kunnen alles opzoeken wat ik geschreven heb, maar daarmee kunnen ze het nog niet navertellen. Met klikken alleen kom je er niet achter waarom het zo belangrijk is om cultuur en economie te verbinden.
Laatst was ik in gesprek met een groep zeer talentvolle jonge consultants. Ze hadden allemaal een master achter de rug. We lazen een tekst van Aristoteles. Het ging al mis bij de eerste zin. Hoezo, het gemeenschappelijk goed? Ze hadden geen flauw idee. Toen ik later begon over het postmodernisme, was het alsof ze het in Keulen hoorden donderden. Als ze dat niet weten, hoe kunnen ze dan begrijpen wat ze in een museum zien? En dat Nederland een corporatische samenleving is, was ook volslagen nieuw. Dat ze dat allemaal niet weten, kan ik ze moeilijk kwalijk nemen. Ondertussen, denk ik wel dat ze veel te leren hebben-en dat is voor een docent toch prettig om te beseffen-maar ook dat het wetenschappelijk onderwijs van nu wel erg beperkt is.
We zijn nooit te oud om te leren. U zit hier en niet achter uw computer of de krant omdat u weet dat u hier wijzer wordt, althans dat leert uw ruime ervaring. De Einstein generatie begrijpt dat blijkbaar ook want waarom zouden ze anders in zulke grote, en toenemende getale naar ons hier op universiteit komen? U en ik weten immers zo veel beter dan zij, wat het kost om inzicht te ontwikkelen, hoe complex de werkelijkheid is en hoe moeilijk ze te vatten is, en hoe bijzonder het is een tekst of een betoog te kunnen doorgronden en daarmee zicht op die complexe werkelijkheid te krijgen.
Want begrijpt u wat gaande is in de wereld? U met uw rijke ervaring? Doorgrondt u de crisis waar iedereen het over heeft? Weet u hoe het anders moet? En denkt u nu echt dat we negentienjarige dienen te vragen hoe het allemaal zit?
Het vermogen tot inzicht is en blijft vooral een kwestie van educatie. Vertellen jongeren mij dat ze het allemaal wel weten, dan weten u en ik dat ze door schade en schande wijzer zullen worden, dat ze leraren nodig hebben, denkers en doeners, om hun begrip te ontwikkelen. En we zouden moeten weten dat geen kennis voor altijd vast staat. Daarom zit u hier toch? Denkbeelden veranderen. John Kenneth Galbraith, een lange en volgens velen ook een groot econoom, introduceerde daarvoor het begrip 'conventional wisdom'. Een gedachte als die ik net noemde-dat jongeren zoveel slimmer zijn dan ouderen-zou conventional wisdom van nu kunnen zijn. Of de gedachte dat markten zo veel beter werken dan overheden. Dit laatste is in ieder geval de gedachte die leidend is in de onderhandelingen over het regeerakkoord. Maar die wijsheid kan veranderen. Althans, dat kunnen u en ik proberen.
Dit alles in het perspectief van permanente educatie, van de gedachte dat we nooit te oud zijn om te leren.
Dit is een aanloop tot het eigenlijke onderwerp van mijn verhandeling: crisis en creativiteit. Het is mijn bedoeling om u te laten zien hoe belangrijk denkbeelden zijn. Een tijd als deze vraagt om denkkracht. Ik denk niet dat we deze alleen van de jonge generatie kunnen verwachten. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van mijn generatie en die generaties daaromheen om een andere economie te verbeelden. Want zonder verbeelding komen we vast te zitten.
Laat ik om te beginnen met een creatieve geste. Zoals u inmiddels wel duidelijk gemaakt is, zijn we midden in een crisis. De financiële wereld is al twee jaar lang in crisis en inmiddels zijn de westerse economieën dat ook. Het gegeven van de crisis is conventional wisdom. Banken stonden op instorten en zijn ook na massief overheidssteun nog steeds instabiel. Maar ik wil u voorhouden dat deze conventionele wisdom misleidend is. De crisis waar iedereen het over heeft is geen echte crisis. We zouden kunnen spreken van problemen in de financiële sector, of van een stevige terugval in de economische groei, maar er is geen sprake van een crisis. Een crisis is heel wat anders dan wat we nu meemaken.
Psychologen spreken van een crisis wanneer mensen hun houvast kwijt raken. Ze raken dan in de war en schieten veelal in de regressie. Van een dergelijke verwarring is weinig zichtbaar--misschien onder bestuurders, maar niet onder 'gewone' mensen.
In een systeem analyse is sprake van een crisis wanneer een systemisch probleem aan de orde is, een fundamenteel probleem dus dat vraagt om veranderingen in het systeem. Misschien dat iets dergelijks aan de hand is in de financiële sector. Misschien. De afgelopen 20 jaar is de financiële sector zeker vier keer in ernstige problemen geweest. En net als al die keren, lijkt het probleem ook nu, na wat aanpassingen, weer over te waaien. Er wordt weer veel geld verdiend, de bonussen worden weer uitbetaald: het is weer bijna 'business as usual'. Van een economische crisis kunnen we evenmin moeilijk spreken. Het Bruto Nationaal Product moge dan flink dalen, maar zoiets hebben we de afgelopen 150 jaar al 40 keer meegemaakt. Zo werkt een kapitalistisch systeem nu eenmaal.
Dat we zo opgewonden over de crisis spreken, geeft onze obsessieve fixatie op de economische werkelijkheid aan. Daarmee zien we niet dat we regelrecht op een drietal andere crises aan het afstevenen zijn. Ik doel op een klimaat crisis, een crisis in de sociale verhoudingen en een spirituele crisis.
De huidige obsessieve fixatie op de economie stamt uit de jaren dertig. De financiële en economische crisis van toen leek overduidelijk aan te tonen dat het systeem van een vrije markt en een kleine overheid niet meer klopte. Bestuurders wisten niet meer wat te doen en maakten eerst grove fouten: ze gingen bijvoorbeeld de eigen economie beschermen en zochten totale oplossingen in het fascisme en communisme, Uit de puinhopen die daarvan het resultaat waren, werd een nieuw systeem geconstrueerd dat tot de dag van vandaag van kracht is. Het systeem werd sterk economisch bepaald omdat de crisis economisch werd ervaren.
Het moderne systeem, dat toen bedacht werd, hinkt op twee logica's. De ene logica is die van de markt, van het geld dus. Die logica werd indertijd al goed begrepen; het gaat daarbij om quid pro quo relaties, vraaggericht produceren, winstmaximalisatie, efficiëntie en monetaire prikkels. De belangrijke verandering was de nadruk op de andere logica, en dat is de logica van controle en rationeel bestuur. Dit is de logica van managers in organisaties en van overheidsbestuurders.
Zoals de socioloog Max Weber had geduid, ging het bij de logica van bestuur om de rationalisering ervan. Daartoe werd de wetenschap ingezet. De wetenschap diende de modellen te leveren waarmee bestuurders op rationele wijze konden regelen en sturen. Deze logica stuurt op objectiviteit, op deskundigheid, op metingen en op standaarden. De regelaar en de manager zijn haar archetypen. Een gigantisch apparaat met universiteiten, business schools, consultantbedrijven, onderzoeksbureaus en denktanks werd opgetuigd om deze logica uit te voeren.
Ook de economische wetenschap werd in die tijd afgestemd op de logica van bestuur. Onze Jan Tinbergen herdefinieerde de economische wetenschap als een instrument voor beleid. John Maynard Keynes dacht ook wel dat politici de economie konden beïnvloeden maar maakte bezwaar tegen de instrumentele benadering van Tinbergen. Hij benadrukte het belang van het morele gezag van politici en het hanteren van redelijke argumenten. Die strijd verloor Keynes. En daarom bouwen economen nog steeds aan steeds ingewikkelder modellen om politici van dienst te zijn.
De dienstbaarheid van economen uitte zich ook in hun rekenwerk. Rationeel bestuur moet gebaseerd zijn op cijfers. Economen hadden cijfers nodig om hun modellen empirische betekenis te geven. En zo kwam, na veel moeite en discussie, de nationale jaarrekening tot stand, met als belangrijkste cijfer het bruto nationaal product. Daarmee werd alle economische activiteit gevat in een enkel cijfer en kon iets complex als economische groei becijferd en benoemd worden. Sindsdien sturen overheidsbestuurders op het BNP zoals bestuurders van bedrijven op winst sturen. De groei van het BNP bepaalt, althans dat wordt algemeen zo begrepen, hoe goed een economie het doet, of niet zoals nu.
De twee logica's hebben het bestuurlijke denken en handelen tot op de dag van vandaag bepaald. Wanneer zich een probleem voordoet, zoals financiële instabiliteit of excessieve beloningen, denkt een ieder aan twee mogelijkheden: of meer markt of meer overheid. De journalist vraagt steevast naar de oplossing, en die is vrijwel altijd bedoeld als oplossing waar het overheidsbestuur mee kan. TINA-there is no alternative! Het beleid van de afgelopen 60 jaar pendelt tussen de twee logica's.
Het huidige systeem met haar twee logica's lijkt echter haar houdbaarheidsdatum overschreden te hebben. Ik geef een aantal redenen.
Zou de sociale wanorde, de leegroof van de natuur, en de spirituele leegte maar als een crisis worden ervaren. Dan zouden we wellicht ophouden te streven naar steeds meer economische groei, steeds grotere scholen, ziekenhuizen en bedrijven. Dan zouden we serieus bezig zijn met de vraag hoe het anders kan. En we zouden eens de verstikkende greep van de bestuurlijke logica op het dagelijks leven kunnen doorbreken en ophouden met verwachten van oplossingen voor onze problemen van politici en bestuurders. Zonder een crisis gevoel gaat dat gebeuren.
We zouden dan openstaan voor een hernieuwd vertrouwen in de krachten in de samenleving, in spontane actie en sociale reacties (geen bonussen meer!), in sociale initiatieven en sociaal ondernemerschap, en boven alles het belang van permanente educatie, educatie in de ware zin van het woord. De overheid wil op dergelijke ontwikkelingen inspelen, maar haar tijd als regisseur en leider is voorbij. Het is hoog tijd voor een herwaardering van sociale ondernemers.
Dat had Thorbecke al door toen hij opmerkte: "De noodzakelijkheid van een revolutieschok is
Steeds een ongeluk, maar de omwenteling zelf kan een zegen zijn".