Liefdewerk

door Johan Schaberg
NRC Handelsblad, p 16.
7 July 2005
cat: books; reviews

Tot een tijdje terug werden we volgens de statistieken van jaar tot jaar steeds welvarender. Toch kwam er een sluier van chagrijn over ons land te liggen. Hadden we het toen echt zo goed? Nu lijkt het economisch minder te gaan. Betekent dat dat we verder wegzakken in de treurnis, of hebben we de kans om de grauwsluier een beetje weg te trekken?

Een paar weken geleden was ik op een zondag bij een opentuinendag. Er zijn veel prachtige particuliere tuinen in Nederland die een beperkt aantal dagen open zijn voor het publiek, en dit was er één van. Het was een heerlijke zomerdag, en na betaling van 3,50 euro in een bus voor een goed doel dwaalde ik daar zo'n beetje rond in een paradijselijk decor dat duidelijk het resultaat was van jaarlijks honderden uren liefde en toewijding. Het was genieten, van de bomen en de planten, en van andere mensen die deze schoonheid in zich liepen op te nemen. Er was ook een terrasje ingericht, waar je voor 1 euro huisgemaakte tomatensoep kon krijgen of een kop koffie met dadelkoek. Naderhand hoorde ik dat er dat weekend 400 mensen waren geweest. Die hadden bijna 1.500 euro achtergelaten voor het goede doel, en voor 350 euro terrasomzet gezorgd. Ik dacht aan de economische statistieken van bruto nationaal product, van arbeidsproductiviteit, werkgelegenheid en belastingopbrengsten, en vroeg aan de tuinmevrouw of ze de opbrengst niet wat mager vond in verhouding tot alle arbeidsuren die er in tuin en keuken besteed waren. ,,Wat een rare vraag'', was haar antwoord. ,,Daar gaat het toch helemaal niet om? Je hoeft toch niet alles van waarde in geld terug te zien? In hemelsnaam!''

In Hemelsnaam, het is de titel van een recent boek van Arjo Klamer, hoogleraar in de economie van de kunst en de cultuur aan de Erasmus Universiteit. We zien met zijn allen iets belangrijks over het hoofd, zegt hij, en dat komt doordat we in de economie slechts twee sferen onderkennen. We hebben de marktsector met bedrijven en consumenten, en de publieke sector voor algemene nutsvoorzieningen. Maar er is een derde sfeer, en die zien we niet. Niet dat die zo klein is. Integendeel, ze is overal, als de lucht die we ademen. Misschien letten we er daarom niet op, omdat ze te vanzelfsprekend is. Het is de sfeer waar mensen iets met elkaar hebben, de sfeer van ,,interacties waarvan de waarde niet gemeten wordt met een prijs en die niet op een of andere manier geregeld zijn in een contract of bureaucratische procedure''. Het is de sfeer van de vriendendienst, van het vrijwilligers- en verenigingswerk, van kinder- en ouderzorg binnen familieverband. Wie dat in economische termen wenst te vertalen kan enorme bedragen over tafel zien gaan. Mag ik even met je afrekenen, laat Klamer een hypothetische vader tegen zijn zoon zeggen. Achttien jaar opvoeding, dat komt op 143.542 euro. Da's goed, antwoordt de zoon, kan ik dan ook even vangen voor geleverde levensvreugde en voor mijn tijd en gederfde inkomsten bij familiebezoekjes die echt niet altijd lollig waren. ,,En de was kan ik beter in een wasserette doen als je er zo veel voor wilt rekenen.'' Het voornaamste kenmerk van de derde sfeer is volgens Klamer de gift. Het gebaar, de dienst of het potje zelfgemaakte jam dat niet wordt afgerekend maar waarbij de gever tegen de ontvanger zegt ,,denk nog maar eens aan me''.

Wat je meet, beweegt. We zijn met zijn allen in de ban geraakt van economische groei of wat ervoor moest doorgaan. Die zijn we gaan meten met statistieken, en ja hoor, het begon allemaal toe te nemen. De marktsector en de overheid groeiden. Waar we niet naar keken, was dat de derde sfeer kwijnde en verlepte. Het was niet bij ons opgekomen daar iets te meten want we dachten dat alles er vanzelfsprekend was. Zo gebeurde het dat allerlei transacties die vroeger lagen in de sfeer van de gift en van liefdewerk verschoven naar die van opbrengst en kosten. Crèches voor kinderen, verzorgingshuizen voor ouderen. Liefdewerk kon niet meer gedaan worden want we hadden er geen tijd meer voor. We waren in de marktsector gaan werken want daar hadden we een hypotheek afgesloten en die kon niet worden afgelost met zorg en aandacht. Een bank geeft daar niets voor, die wil geld zien. Zo moesten we ons als professionele dienstverleners laten betalen voor wat we vroeger als buren en familie gratis deden, en zelf moesten we gaan kopen, inclusief BTW en afdrachten sociale lasten, wat vroeger in vriendschap werd gegeven. Zo hielden we de groeistatistieken overeind. Maar de liefhebberij verdween en die deken van chagrijn kwam over dit land te liggen. Chagrijn omdat we het volgens de cijfers beter hebben dan ooit, terwijl we niet meer kunnen betalen wat ooit gratis was.

Hebben we dit gewild? Niet bewust, maar het zat wel in de kleine lettertjes. Ooit kon een huis gekocht worden op de financieringskracht van één inkomen in een huishouden. Een tweede inkomen telde voor de bank niet mee. Toen we dat begonnen te verruimen, stroomde er een golf van koopkracht naar de woningmarkt, de prijzen verdubbelden of meer, en de uitkomst is dat nu twee mensen moeten werken voor hetzelfde huis dat vroeger door één betaald kon worden. Die tweede, vanuit historisch perspectief is dat de vrouw, kan niet langer bijdragen in de giften- en liefde-werksfeer. Met haar financieringscapaciteit heeft ze een hogere opbrengst naar de oorspronkelijke huizenbezitters gesluisd, de generatie van haar ouders. Die werden rijk in geld maar overeenkomstig armer in zorgaanspraken. De gemeten economie groeide, maar het was gezichtsbedrog. De groei was goeddeels gestolen van de derde sfeer.

Nu zitten we met de kater van een leeglopende economische ballon. Alles kost geld en het is duur, onze banen staan op de tocht en straks stijgt de hypotheekrente ook nog. De sferen van de markt en de overheid laten het afweten. Zullen we in staat zijn de derde sfeer weer vitaal te maken? Anders dan in de eerste twee, waar we afhankelijk zijn van monetair en budgettair macrobeleid, hebben we het hier zelf in de hand. Het hangt alleen van onze instelling af. Zullen we ons weten te herinneren dat de sfeer van de gift bestaat, en hoe je zomaar iets voor anderen kunt doen? Nu zijn we armer dan de stijgende statistieken; als we moed houden kunnen we straks rijker zijn dan de dalende.