Stel eens voor: u mag zelf bepalen wat u met uw leven doet. Niets moet, niets hoeft. U bent geheel vrij in uw keuzes. Het enige waar u mee rekening dient te houden is uzelf, zoals u in elkaar zit. Hoe zou uw leven er dan uitzien? Zou u iets heel anders doen dat wat u nu doet? Gaat u reizen? Kiest u voor een avontuurlijk leven met veel spanning en liefde? Kiest u voor een ascetisch leven? Of gaat u iets met uw handen doen?
De oefening is nuttig om ons te bepalen bij wat we doen. Zou ik in die vrijheid kiezen om dit nu te schrijven? Zou ik me blijven inspannen voor een nieuwe universiteit? Zou ik essays van studenten blijven beoordelen. Lezingen geven? Hoeveel doe ik eigenlijk alleen om het geld? Zou ik dat laten als ik niets hoef en niets moet? De oefening dwingt tot bewustwording van wat u en ik belangrijk vinden, van onze waarden dus. En daarmee komen we bij het besef van de zin, en de onzin van wat wij nu doen. Wat we kiezen in alle vrijheid, heeft blijkbaar zin, voor onszelf. Althans, dat zou je zeggen. Alles wat we zouden laten, is blijkbaar onzinnig, voor onszelf.
In werkelijkheid komt de vraag naar de zin van werk vooral op bij een besef van onzin. De onzin kan ons overvallen wanneer het werken zwaar valt, wanneer de motivatie om te werken verdwijnt, wanneer we door gaan denken over het waarom en hoezo, of wanneer we op een keerpunt van ons werkend leven staan, zoals wanneer we een baan moeten zoeken, wanneer we van werk veranderen of wanneer we met een baan ophouden. De jeugd kan zich afvragen wat de zin van hard werken is, zeker als dat ten koste gaat van hun vrije tijd. Mensen die met pensioen gaan, lopen tegen de vraag op wat de zin van al dat harde werken is geweest, zeker wanneer ze zich bevrijd voelen En wie heeft niet zo nu en dan de ervaring van het vervreemdende van het harde werken, van het druk bezig zijn.
Een antwoord als "ik moet wel, want anders kom ik niet rond," is misschien realistisch maar ook wat cynisch.
Het vervreemdende van werk is de dwang ervan. We moeten wel. Als individuen leren we dat we moeten werken om de kost te verdienen. Zonder werk geen leven. "Arbeid adelt", is het ethische argument en het economische argument is dat zonder grotere arbeidsparticipatie de welvaartsstaat ineen zal storten. Werk is daarmee een noodzakelijk middel om te kunnen leven zoals wij leven. "Werk, werk, en nog eens werk, "zeggen politici dan ook. Is er te weinig werk, dan kampt de politiek met het probleem van werkloosheid en is er te veel werk, dan gaat de discussie over vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen, ouderen, jongeren.
Werk bepaalt het dagelijkse leven. Zonder werk is een mensenleven moeilijk denkbaar en een samenleving van mensen al helemaal niet. Kijken we om ons heen en terug in de tijd dan valt op hoezeer werk iedere samenleving bepaalt. Mensen werken, bereiden zich voor op werk, of ze werken niet. Kinderen gaan naar school om zich op het werk voor te bereiden; mensen op vakantie hebben vrij van werk, of school; mensen die met pensioen gaan houden op met werken. Het begrip "vrije tijd" is duidelijk genoeg. Werken we niet dan zijn we vrij, vrij van werken, met de implicatie dat als we werken we gebonden, onvrij zijn.
Door zo over werk te spreken, suggereren we dat werk een noodzaak is, en dat we liever iets anders doen als we vrij zijn. In onze vrije tijd werken we daarom niet, althans zo suggereren we met onze manier van spreken.
Laten we de verbeelding spreken, dan denken we liever niet aan werk. Romans vertellen dat verhaal. Zelden vertelt een roman immers over werk en wat daarbij komt kijken. Robinson Crusoe van Daniel Defoe is in dit opzicht een uitzondering. In de romans van Louis Couperus, Jane Austen, Virginia Woolf, Harry Mulisch en Thomas Mann, om maar een greep te doen, domineert de vrije tijd, de tijd zonder werk; ze gaan over mensen die liefhebben, conversaties voeren, vertwijfeld en zoekende zijn, maar niet over mensen aan het werk.
Daarmee sluit de traditie van de roman aan bij de fantasie over een leven zonder de dwang van werk. De fantasie gaat ver terug. Het Hof van Eden, het paradijs, symboliseert de droom van weleer van een arbeidsloos leven. Door van de vrucht van het kwaad te eten, kreeg de mens van God de straf om te werken in het zweet des aanzijns en daarmee wordt het basis verlangen van de mens vastgelegd: de terugkeer naar het Hof van Eden. Ook de Griekse filosofen bedachten zich een wereld zonder arbeid. Plato en Aristoteles zagen politiek bedrijven en bovenal filosoferen als de meest waardevolle bezigheden voor mannen. In hun visioen arbeiden alleen vrouwen en slaven.
Vrije tijd werd daarmee een status symbool. De Amerikaan Thorstein Veblen schreef er nog een kritisch boek over, getiteld The Theory of the Leisure Class (1924). In zijn tijd was de vrije tijd voor het verpozen in de salon in het gezelschap van anderen die de tijd op hun hand hadden, of om zich te wijden aan de kunsten en wetenschappen. De man of vrouw met alle tijd van de wereld was vermogend; hard werken was voor de minderbedeelden. Was je rijk dan had je anderen die het werk voor jou deden. Dat is nu anders. Iemand die nu zonder werk is, is werkeloos. Maar vrije tijd blijft de status bepalen, al is komt die status vooral met het genre vakanties die mensen produceren. Rijke mensen hebben bijzondere en veelal kostbare vakanties, op luxe schepen bijvoorbeeld, op een eigen eiland, of temidden van dolfijnen, of dat alles tezamen in eén en dezelfde vakantie.
Het merkwaardige van onze tijd is dat naast de waardering van vrije tijd, ook het werken zoveel aandacht en waardering krijgt. Nog nooit zijn de bewoners van welvarende landen als Nederland zo rijk geweest als nu. Dan zou je zeggen, in het licht van het eeuwenoude verlangen naar een werkeloos bestaan, dat wij er alles aan zouden doen om dat Paradijs te herstellen zodat we kunnen doen waar we zin in hebben en genieten van het leven. Je zou zeggen dat we daar heel ver in gekomen zijn. Nog geen honderd jaar geleden was het merendeel van de werkende mensen druk doende te zorgen dat er voldoende voedsel is voor iedereen. Nu is dankzij een dramatische verbetering in productiemethoden en teelttechnieken nog slechts een luttele vier percent van de mensen aan het werk om de rest van eten te voorzien --en dan hebben we nog te veel eten ook. Na de `verlossing' van landarbeid trokken de werkers en masse de fabrieken in om dingen te maken ter verhoging van de materiële welvaart. Ook hier was vervolgens de technologische ontwikkeling zo dramatisch dat steeds meer werkers van het vuile en vaak monotone fabriekswerk bevrijd konden worden. In Nederland is nog slechts 17 percent van de werkers in de industrie werkzaam. De dienstensector ving de `verloste' werknemers op, maar ook daar worden langzamerhand de vruchten van de investering in informatietechnologie geplukt en mogen de werkers in steeds grotere getale naar huis. Zo bleken de midden-managers in de detailhandel overbodig te worden dankzij geautomatiseerde bestellingssystemen; binnen afzienbare tijd kunnen de cassieres van hun monotone werk verlost worden wanneer de afrekening automatisch gaat. Ook banken staan op het punt grote aantallen van hun werknemers te verlossen. Al die ontslagen zijn volgens plan. Het kapitalisme is erop ingesteld mensen werkloos te maken. Bevrijd van de noodzaak om te werken kunnen mensen voor zichzelf bepalen wat een goede bezigheid is. Waarom blijven we dan toch hard werken? En waarom blijven we betaald werk zo belangrijk en zinvol vinden?
Een belangrijke reden is dat ons economisch systeem afhankelijk is van het verschijnsel betaald werk. We hebben het zo geregeld met elkaar dat in onze economie de arbeidsmarkt de maatschappelijke bijdragen van iedereen moet waarderen en daarmee bepaalt wat iedereen krijgt. Met het loon of salaris kan iedereen een aanspraak doen op de geproduceerde goederen en diensten. De arbeidsmarkt dient dus als belangrijkste verdelingsmechanisme (met daarnaast een rol voor de overheid die via belastingen en sociale voorzieningen herverdeelt, en huishoudens). De consequentie is dat iedereen die wat wil in deze samenleving via de arbeidsmarkt moet opereren. Of het nu om waardering gaat of een leuke vakantie, een betaalde baan is de enige reële optie die de moderne mens heeft. Met de versmalling van de arbeidsmarkt wordt die optie schaarser. Laten we de krachten van de modernisering hun gang gaan, dan zal de hoeveelheid beschikbaar werk snel verder afnemen. Houden we vast aan de betaalde baan als de enige middel om geneugten te realiseren, dan zullen meer mensen concurreren om steeds minder banen. De concurrentie zal moordend zijn, voor zover ze dat al niet is, want betaald werk betekent alles in deze constructie. Stel eens voor dat op een zeker moment nog maar een paar honderdduizend mensen nodig zijn om iedereen te voorzien van voedsel en belangrijkste spullen zoals transportmiddelen, huizen en speelgoed. De productie is verder voldoende om een deel te ruilen voor goederen die in het buitenland geproduceerd moeten worden. Alle andere mensen zijn dus vrij van noodzakelijke arbeid. In onze huidige constructie zal dit gigantische problemen opleveren want dan zouden die paar honderdduizend mensen al het inkomen ontvangen en zou de rest gedoemd zijn de hand op te houden. Het moet duidelijk zijn dat we er op deze manier niet komen.
Zonder zicht op een goed alternatief-het communistische visioen van verdeling naar behoefte en werken naar vermogen-wordt het korset van de arbeidsmarkt alleen maar strakker. Alles moet in haar kader passen. We doen er de gekste dingen door. Steeds meer gaat de arbeidsmarkt in ons land op een enorm werkverschaffingsproject lijken. De publieke werken van de jaren dertig waren niets vergeleken bij het werk dat we momenteel voor elkaar weten te creëren. Mensen gaan het huis uit om betaald nodeloze producten te verzinnen, produceren, marketen, adverteren, en te verkopen om daarmee werk te creeeren voor al degenen die voor hen mogen koken, schoonmaken, en zorgen. Wij economen schrijven teksten waarmee we andere economen, maar ook uitgevers en boekhandels bezig houden want we willen dat anderen onze teksten lezen, bekritiseren en ook uitgeven en verkopen. Juristen, om maar eens een andere beroepsgroep te nemen, doen bijna niets anders dan elkaar werk te verschaffen. Het komt erop neer dat we elkanders ruggen krabben, tegen betaling natuurlijk.
Deze omzetting van onbetaalde taken in taken roept de vraag op wat als werk telt. Want als koken een taak is waarmee verdiend kan worden, dan werkt de huisvrouw die in de keuken staat net zo goed als de kok in het restaurant. Hetzelfde geldt voor het zorgen voor kinderen en ouderen. Alleen de liefde bedrijven valt-nog?--buiten de nominatie om als werk te tellen.
Mijn collega's de economen gaan het definitie probleem liever uit de weg en beschouwen gewoonlijk alle betaalde werkzaamheden als werk. Sociologen maken wel flink werk van de definitie van werk. Waarom zou het zorgen voor kinderen geen werk zijn? Het is het zeker als we werk definiëren als alle activiteit waarmee mensen een in principe betekenisvolle bijdrage leveren aan het maatschappelijke leven. Het zorgen voor anderen is dat zeker zo sterk als het produceren van speelgoed. En wat te zeggen van de buurtbewoner die door behulpzaam en aanwezig te zijn, bijdraagt aan de sfeer van de buurt? De bijdrage lijkt hier wat wezenlijker dan die van iemand die zich tegen hoge beloning kapot werkt voor een advertentiecampagne van weer een product dat niemand echt nodig heeft. Dat maakt werken in de buurt zeker werk.
Om deze bezwaren uit de weg te gaan stelt een arbeidseconoom als Van Ours (1986) voor alle productie van goederen en diensten die ook via de markt kunnen worden verkregen werk is, als werk te definiëren. Door die definitie te hanteren zou het feitelijke werk dramatisch toenemen. Zoals Jan Pen eens opmerkte, dit zou betekenen dat ook het roeren in een kop thee werk is, omdat we er per slot van rekening iemand voor zouden kunnen inhuren. Alleen het drinken zelf kan niet uitbesteed worden en is daarom geen werk. Winkelen is dat weer wel want dat kan je door anderen laten doen. Een belangrijk deel van wat we nu consumptie noemen-zoals het autorijden, het afspelen van een dvd, verjaarspartijtjes en koffiedrinken-wordt dan ook werk. Het in de tuin werken is dat zeker ook. En wat te zeggen van vakanties? Ook van alles dat we dan doen, zou in principe uitbesteed kunnen worden, zoals het vinden van leuke plekjes en tentjes, het bedenken en uitvoeren van uitjes, het gezellig houden, de kinderen vermaken. Op deze manier krimpt de omvang van onze vrije tijd snel in en neemt het werk, betaald dan wel onbetaald, snel toe.
Wanneer werk ik? En wanneer doe ik dat niet? Het wordt een lastige vraag om te beantwoorden op deze manier. Dat onderscheid is zeker ook moeilijk te maken in het geval van kenniswerk, en dat is het werk dat de meest moderne werkers doen. Kennis ontwikkelen, delen en toepassen is een eindeloos proces. Kenniswerkers zijn nooit klaar; het kan altijd beter en meer. Ook als dit artikel af is, is er zoveel meer te onderzoeken en te schrijven, zeker wanneer ik mee wil blijven tellen. Heel veel van wat ik doe, dient in zekere zin mijn werk met kennis. Hang ik voor de tv dan is dat omdat ik wat ontspanning nodig heb alvorens ik kan gaan schrijven-althans dat zou ik kunnen beweren. Een voetbalwedstrijd kan me op gedachten brengen, en dat kan een avond met vrienden zeker ook. Buitenlandse reizen zijn vanzelfsprekend ideale investeringen in het inspirerend vermogen. Dat maakt dat alles een onderdeel van het werk. De partners zullen het hunne ervan denken maar wat werk is blijft een kwestie van perspectief.
1) De economische zin van werkVolgens de standaard economische theorie is de waarde waar het om gaat iets anders dan het werk zelf. Werk heeft als doel het consumeren. Zodra Robinson Crusoe op zijn eiland landt, gaat hij aan de slag voor onderdak, eten en bescherming. Het doel van zijn arbeid is in leven blijven en genoeg te produceren om zich zo nu en dan te kunnen ontspannen. Als het niet hoefde, zou hij het niet doen. Zo bezien is de waarde van werk economisch van aard en wordt bepaald door de kwantiteit van de ruilmiddelen die we ermee verwerven. De hoeveelheid ruilmiddelen die het werk oplevert, noemen we haar economische waarde. Het realiseren van economische waarde is een belangrijke reden voor het dagelijkse werk.
Met haar economische waarde is werk niet meer en niet minder dan een middel, zo geeft het cultureel economisch perspectief aan (zie Klamer 2002 ,2003, 2006, McCloskey 2007) Het is de uitgestelde zin van werk, want die bestaat in het consumeren van de goederen die we met de verworven middelen kunnen aanschaffen. In geval dat werk onbetaald is, besparen we bemiddelen omdat we dan anderen niet hoeven te betalen.
Maar ook als de economische waarde van werk niet telt, werken mensen. Vrouwen gaan de arbeidsmarkt op terwijl de partners voldoende verdienen. En als mensen die gevraagd worden wat ze zouden doen als werken niet moet, zouden velen toch kiezen voor één of ander werk. Blijkbaar genereert het werken andere waarden dan louter economische.
2) De sociale zin van werk
Belangrijke waarden van werk zijn de sociale waarden. Dat zijn waarden die vooral tot uiting komen in de kwaliteit van relaties met andere mensen. Cruciaal hier is de bijdrage die een werker levert aan een gemeenschappelijk goed. Op de boerderij was dat duidelijk. Of je nu de koeien melkte, de stal ontmestte, de aardappelen rooide of de ramen lapte, je droeg iets bij aan het boerenbedrijf en daarmee aan de groep mensen die van het voedsel dat van de boerderij kwam afhankelijk was. Voor veel werk is die maatschappelijke bijdrage moeilijker vast te stellen. Ik zou niet kunnen vertellen wat ik precies bijdraag als docent. Studenten vertellen me wel eens iets aardigs over de colleges, maar wat stelt die vermeende invloed nu werkelijk voor? Op de Academia Vitae (een nieuwe universiteit in Deventer) komen professionals te spreken over de betekenis van hun werk. Het gaat dan al gauw om die maatschappelijke bijdrage, over wat het werk betekent voor mensen buiten de werkkring. Dat het antwoord niet altijd bevredigt, blijkt als ze aangeven wat ze zouden willen als ze niet hoeven te werken. Een opmerkelijk aantal geeft te kennen graag iets goeds te willen doen, zoals het helpen van andere mensen of het opzetten van een ziekenhuis in Mali. Iets betekenen voor andere mensen blijkt een belangrijke drijfveer, en velen vinden hun eigen werk in dat opzicht te kort schieten. Daarmee is het werk niet zo zinnig als ze dat zouden wensen.
Het werk genereert daarnaast sociale waarden als een identiteit en daarmee sociale status. Omdat de één geld verdient als loodgieter en een ander als dokter, gaat de één als loodgieter door het leven, en de ander als dokter. Loodgieter zijn staat voor iets, en dokter zijn staat voor iets anders. Iemand die een baan verliest, riskeert het verlies van de identiteit en de status die met die baan komen.
Identiteit en status zijn sociale waarden die met de baan komen. Het werken draagt ook direct bij aan de realisatie van sociale waarden, zoals in de vorm van collegiale relaties, een club om bij te horen, en gezelligheid. We leren mensen kennen door het werk, doen vriendschappen op en we delen ervaringen met anderen. Werken wordt dan werken aan bepaalde relaties. Je zou ook kunnen zeggen dat werken investeren is in sociaal kapitaal, of het vermogen sociale waarden te genereren (zie Klamer 2003).
De sociale waarden drukken het sociale karakter van de mens uit. Door sociale waarden te genereren realiseren wij ons als sociale wezens.
Hoe zinvol werk is voor iemand, hangt daarmee af van het belang dat zo iemand hecht aan de sociale waarden die het werk voor hem of haar genereert. De oefening waar we mee begonnen doet dat beseffen. Hoe belangrijk is de maatschappelijke bijdrage? Hoe belangrijk is de waardering, de aandacht, de erkenning die ik met het werk krijg voor mij? Hoe belangrijk zijn al de contacten, de relaties met collega's, met medewerkers? Kies ik ervoor om op een avontuurlijke reis te gaan, dan is blijkbaar dat werk sociaal gesproken niet al te zinvol voor mij.
3) De culturele of spirituele zin van werk
Maar ook als het werk economisch niet noodzakelijk is en niet al te veel betekent in sociaal opzicht, dan kunnen mensen toch nog werk boven iets anders verkiezen. Ze doen dat vanwege de culturele of spirituele waarden die we door te werken kunnen realiseren. Hiermee bedoel ik waarden die niet direct iets economisch opleveren of sociaal van belang zijn, maar die mensen als spirituele wezens nodig hebben voor de inspiratie. In een diepere zin heeft de mens de mogelijkheid om een zelf in het werk te realiseren.
Dit aspect vinden we duidelijk uitgelicht in de gedachtegang van de Duitse filosofe Hannah Arendt. Zij onderscheidt 'arbeiden' van 'werken' en 'handelen' (Ahrendt 1958). 'Arbeid' is verbonden met de onderhoud van ons lichaam en consumptie en is daarom een noodzaak. Door het 'werk' creëren wij voor onszelf duurzaamheid en een plaats onder de zon; werk is in Ahrendt's interpretatie creatief en gespeend van de noodzakelijkheid die in 'arbeid' besloten is . In het meerduidige en onvoorspelbaar 'handelen' dat met 'speech' en 'action' verbonden is, komt volgens haar de zinvraag bovendrijven. Door al deze drie activiteiten tot arbeid te reduceren komt duurzaamheid en de gemeenschap onder druk te staan en daarmee ook het vermogen tot fundamentele bezinning. Het kenmerkende van de mens is nu juist dat hij 'om mens te zijn onder de mensen' een sprekend wezen is dat reikt naar het domein van de goden. In het spreken en communiceren met mensen binnen sociale verbanden komt zin van ons handelen bovendrijven, zonder dat we helemaal weten wat dat betekent.
Ahrendt vindt het bedenkelijk dat we al het werken en spreken tot arbeidsvormen en alle verhoudingen in de sociale sfeer tot voorspelbare genormaliseerde vormen van gedrag hebben gereduceerd. Hierdoor komen zowel het privédomein als het publieke domein onder druk te staan. Bij communicatie en adviesbureaus tellen de geschreven uren en zorg en wetenschap worden in therapieën en modules aangeboden.
De fixatie op de voor consumptie benodigde betaalde arbeid weerspiegelt onze moderne neiging teveel in (direct renderend) economisch kapitaal te investeren, ten koste van het communicatieve, sociale kapitaal en het zingevende, culturele kapitaal. Dit sociale en culturele kapitaal (of vermogen) is echter nu van levensbelang in deze vluchtige kennismaatschappij. Het is investeren in het vermogen te schiften in de overvloedige informatieberg. Het is het aanbieden van duurzame kapstokken om 'dat wat van waarde is' aan op te kunnen hangen.
Maar ondanks het corset waarin werk geregen wordt in de commerciële wereld, waardoor zoveel werk arbeid wordt, kunnen we wat we doen als werk ervaren in de betekenis die Ahrendt eraan geeft. Csikszentmihalyi, een Amerikaanse psycholoog spreekt van de "flow" die we in het werk kunnen ervaren. Dan lijkt alles moeiteloos te gaan, alles lijkt te kloppen. In het boek "Good Work" dat hij samen met Howard Gardner en William Damon schreef, neemt hij een Aristoteliaanse positie in door te stellen dat wij mensen naar het goede streven. In ons werk gaat het erom het werk goed te doen, te excelleren, en dat het werk goed doen pas echte bevrediging geeft.
Czikszentmihalyi bevestigt wat ik eerder stelde: het gaat bij flow niet zozeer om het economische resultaat en ook niet om de sociale waardering, al kunnen zij er wel aan bijdragen, maar eerder om een intrinsieke beleving. Als ik een lezing geef, zijn de financiële vergoeding en de eventuele complimenten prettig maar beiden bepalen niet het gevoel waar ik mee vertrek. Ik weet zelf maar al te goed of het goed gegaan is, of niet. Een echt goed gevoel heb ik alleen als ik zelf overtuigd ben dat ik het goed heb gedaan, dat er die vonk was die ik steeds probeer te laten onstaan..Aristoteles noemt dit gevoel dat komt met excelleren eudaimonia. Czickmenthilayi cs spreekt over de ontmoeting van het excelleren en de ethiek.
Ik maak er een punt van bij andere beroepsgroepen te vragen wat dat gevoel bij hen teweeg brengt. Laatst had ik een paar dakwerkers thuis. Enigszins geforceerd begon ik over hun werk te spreken. Of het niet gevaarlijk was. Dat viel wel mee. Ja, het werken met teer kon gevaarlijk zijn. Nee, dat was geen teken van onvermogen. Het kon de beste overkomen. Geld? Dat was ok. Collega's? Best. Waar gaat het dan bij u om, zo drong ik voorzichtig aan? Geen antwoord. Wat maakt een dakwerker goed? Stilte. Toen zei de oudste van de groep zachtjes: "Hij die het lek weet te vinden." Waarop de anderen instemmend knikten. Want, zo wisten ze me te vertellen, het lek vinden vraagt inzicht, doorzettingsvermogen en ook creativiteit want het kan op de meest onwaarschijnlijke plek zijn. Het lek weten te vinden inspireert hen. Dat bepaalt hun professionaliteit. Toen ik een therapeut dit vertelde, antwoordde ze dat het bij haar beroepsgroep gaat om het vinden van het zeer.
Dit suggereert dat wat goed is afhangt van de aard van het werk. Voor een soldaat ligt dat anders dan voor een schoenmaker. Voor de soldaat heeft het met moed te maken, voor de schoenmaker met vakmanschap. Het goede bepaalt de culturele of spirituele zin van het werk.
Ontevredenheid over het werk ontstaat wanneer mensen een kloof ervaren tussen wat zij als het goede beschouwen en wat zij in de werkelijkheid ervaren. Uit onderzoek dat ik doe met David Kombrink onder juristen en accountants blijkt een tevredenheid met de economisch waarden die ze realiseren in hun werk. Ze willen resultaat gericht werken en dat ervaren ze ook. Dus dat zit goed. Met de druk op resultaat gericht werken komen sociale waarden enigszins in de knel, bij het ene kantoor wat meer dan het andere. Over het algemeen zouden deze professionals een betere, een meer sociale sfeer op het werk willen. De sociale zin kan dus beter. Dat betreft ook de maatschappelijke betekenis van hun werk, maar al zouden ze die sterker wensen, erg belangrijk vinden deze professionals dat niet. Overweldigend is echter het gemis dat deze professionals ervaren met betrekking tot hun wens naar creatief en innovatief werk. Ze zouden het werk veel creatiever en uitdagender willen dan dat ze het ervaren. Kombrink en ik leggen dat uit als een gebrek aan professionele uitdagingen, te veel routine, te weinig verrassingen. Met andere woorden, ze worden niet te weinig aangesproken op hun vermogen het "lek" of het "zeer" te vinden. Gaat dit gebrek overheersen, dan vallen deze professionals ten prooi aan een gevoel van zinloosheid.
Door sociale en culturele zin te onderscheiden van economische zin zien we vanuit een cultureel economisch perspectief voorbij de noodzakelijkheid van het werk en kunnen we begrijpen waarom mensen kiezen voor een bepaald werk ook als ze niets hoeven. We onderkennen ook het vermogen van mensen om inspiratie te vinden in werk dat vooral arbeid lijkt. Daarmee kunnen we ons kritisch opstellen niet alleen ten opzichte van een standaard economisch perspectief, dat werk vooral als een middel ziet om te kunnen consumeren, maar ook ten aanzien van een Marxistisch perspectief. Het moge dan zo zijn dat mensen die voor een bedrijf werken geen eigendom houden over wat ze maken en bedenken, wat voor Marx niet alleen exploitatie inhoudt maar ook een oorzaak van vervreemding van het zelf. Maar de voorgaande discussie maakt duidelijk dat een dakwerker niet alleen daken repareert maar ook sociale en culturele waarden realiseert in het werk. En die kan zijn baas hem niet ontnemen. De collegiale relaties deelt hij met zijn collega's en als hij een kick ervaart bij het vinden van een lek, dan is die kick van hem. Een belangrijk deel van het werk onttrekt zich dus aan de transacties van de markt, aan de feitelijke betaling dus. En dat deel is veelal bepalend voor de zin van het werk.
Het cultureel-economisch perspectief geeft verder tegenwicht tegen de neiging om alleen de spirituele dimensie van het werk te zien. Krijg leiders in het bedrijfsleven aan de praat over hun werk, en ze hebben het vooral over het belang van authenticiteit, passie en bezieling ook, alsof het alleen om de culturele zin van het werk zou gaan (zie bijvoorbeeld de gesprekken die Petra Pronk voerde in Pronk 2007). Volgens het perspectief dat ik hier heb uiteengezet heeft werk zeker ook economische en sociale zin. Het blijft zin hebben om te werken voor een loon en voor de sociale waarden, naast het werken voor een grotere betekenis.