De koopman en de dominee

door Fieke van der Lecq
ESB, 28 January 2005
cat: knowledge

Zonder het van elkaar te weten, zijn twee hoogleraren economie begonnen een eigen instituut voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek op te zetten. Twee nieuwe instituten die tegelijk in ons kleine landje ontstaan - zou toeval toch bestaan?

Frank den Butter had al lang plannen voor handelsonderwijs op verschillende niveaus. Onder zijn supervisie verscheen in 2003 de studie Nederland Handelsland (WRR, 2003: 218-219). De kernboodschap in dit rapport is dat we niet alleen goed zijn in transport, maar veeleer in handel. Nederland heeft lage transactiekosten door de ligging van het land en de aard van de Nederlanders. Daarom pleitte de WRR voor zowel aandacht voor handelsvaardigheden in het algemene onderwijs als het oprichten van specifieke handelsgerichte opleidingen. Ook uit internationaal vergelijkende cijfers blijkt dat de praktijkkennis van de Nederlandse handelaren versteviging kan gebruiken (De Grip, 2003). Aangezien de regering minder overtuigd was van nut en noodzaak hiervan, is Den Butter zelf aan de slag gegaan om de blauwdruk uit genoemd rapport alsnog te realiseren. Conform het rapport heeft het internationale instituut een publiek-privaat karakter gekregen. De Amsterdam Trade University is een samenwerkingsverband tussen bestaande opleidingsinstellingen waaronder de Vrije Universiteit.1 Samenwerkingspartners komen uit het bankwezen, de Kamer van Koophandel en diverse sectoren van handel en bedrijvigheid. Centraal staat de visie dat Nederland als regisseur in ketens kan optreden, zelfs als de fysieke activiteiten elders plaatsvinden.

Arjo Klamer neemt ook de regie, maar dan die van de academische gedachtewisseling. Hij wil het klassieke ideaal van de universiteit als plaats voor onderzoek en dialoog nieuw leven inblazen. Het gesprek staat voor hem centraal tijdens het levenslange leren in de Academia Vitae.2 Docenten en studenten verrijken elkaar door gezamenlijk waardevolle teksten te bestuderen, seminars te houden en kunst te ervaren. Ieder brengt en ontvangt kennis en inspiratie. Ook hierin blijkt het bedrijfsleven geïnteresseerd te zijn. Naast enkele fraaie panden in de gemeente Deventer zijn er al toezeggingen ontvangen van sponsoren en hebben de eerste studenten zich al ingeschreven. Dit zijn veelal mensen die halverwege hun loopbaan bezinning zoeken. Onderzoekers uit binnen- en buitenland hebben hun medewerking toegezegd. Hier lijkt eveneens een gat in de markt te zijn gevonden. Den Butter en Klamer zijn overigens niet de enigen die zich tot het bedrijfsleven wenden voor onderwijs- en onderzoeksvernieuwing. Lans Bovenberg en de zijnen hebben diverse bedrijven kunnen interesseren voor NetSpar en het al wat langer bestaande Utrechtse toponderwijsinstituut University College werkt eveneens samen met bedrijven.

Dat twee dergelijke initiatieven tot stand komen, is even verrassend als voorspelbaar. Voorspelbaar is dat blijkbaar niet werd voorzien in deze studies en benadering door de universiteiten en de onderzoeksfinanciers. Verrassend is dat twee hoogleraren zelf in deze lacune gaan voorzien. Onderzoekers worden afgerekend op hun publicaties, zodat het investeren van veel tijd en energie in het opzetten van een eigen instituut als een risicovol avontuur geldt. De ondernemende professor aan een minder ondernemende universiteit... of eentje met andere prioriteiten. Je moet er als hoogleraar stevig in geloven om dit risico te nemen. Dat is beide heren wel gegeven.

Hiermee zetten ze de typisch Nederlandse traditie van de koopman en de dominee op moderne wijze voort, daarbij stuivertje wisselend. Den Butter, hoewel van de VU, stimuleert de koopmannen en Klamer, hoewel van de EUR, voedt de dominees. De geschiedenis leert dat vorsten, adel en de katholieke geestelijkheid hiermee buitenspel werden gezet3. Ook nu zien we dat de koopman en dominee het wel redden zonder de regering, doordat ze er beiden in slagen het bedrijfsleven voor hun plannen te winnen. Zolang ze geloofwaardig maken dat ze het landsbelang verbinden met het individuele belang, is er in calvinistisch Nederland veel mogelijk. Nederland bevindt zich dan ook in de Europese voorhoede inzake private financiering in het tertiaire onderwijs (Huizinga et al., 2004).

Concurrentie in het onderwijs wordt van overheidswege aangemoedigd. De invoering van het open bestel in het onderwijs maakt het mogelijk dat particuliere initiatieven kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Hoewel flankerende maatregelen nodig zijn om dit effect daadwerkelijk te bereiken, kan uit ervaringen in het buitenland worden opgemaakt dat er een gerede kans is dat een open bestel een verbetering ten opzichte van de huidige situatie met zich meebrengt (Burger et al, 2004). Het ministerie van OC&W staat hiermee vrije toe- en uitttreding toe, maar blijft verder passief doordat het de nieuwe instituten niet faciliteert. Daardoor moeten onderzoekersbreinen worden ingezet voor fondsenwerving, het regelen van huisvesting en andere zaken waar ze geen comparatief voordeel opleveren. Weliswaar hebben initiatieven van onderaf hun voordelen, maar er zou iets te zeggen zijn voor een tweejaarlijkse tender voor een nieuw instituut. In dat geval moeten de hoogleraren nog steeds een ondernemingsplan schrijven, maar krijgen ze hulp bij de uitvoering ervan. Dat scheelt gedoe met stichtingen en de afhankelijkheid van netwerkcontacten. In plaats daarvan regelt een betaalde kwartiermaker de praktische zaken en kan de prof zich op het onderzoeks- en onderwijsprogramma richten. Deze vorm van 'backing challengers' lijkt efficiënter en inspirerender.

De koopman en de dominee zorgden in vroeger tijden voor de rol van Nederland als gidsland in de internationale gemeenschap. Of de nieuwe instituten een internationale uitstraling krijgen, zal nog gaan blijken. Voor beide geldt dat praatjes geen gaatjes vullen en dat het opgeheven vingertje geen dijken dicht.

Literatuur:

Burger, K., A. Hoen, R. Venniker en D. Webbink (2004) Een Open Bestel in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs, CPB Document 70. Den Haag.

De Grip, A. (2003) Postinitieel onderwijs essentieel. ESB Dossier, 4 september 2003, D28-D29.

Huizinga, F., P. Tang en H. van der Wiel (2004) Van vertraging naar versnelling, hoofdstuk 1 in B. Jacobs en J. Theeuwes (2004) Innovatie in Nederland, KVS Preadviezen, 1-32.

WRR (2003) Nederland Handelsland, rapport 66. Den Haag.

1 De voorlopige webstek is www.freewebs.com/handelsland
2 www.academiavitae.nl
3 www.anno.nl/anno/anno/i001379.html