
Ik was laatst bij een rondetafelgesprek waarbij mensen uit verschillendevakgebieden elkaar zouden vertellen van hun ervaringen met het onderwerpbezieling in organisaties. Om te beginnen kwam het rondje voorstellen.Eerst waren een paar mannen aan de beurt, onder wie ik, en wij verteldenbij welk bedrijf we werkten, wat onze functie was en hoe we daar zo gekomenwaren. Toen kwam er een dame. Die deed dat ook, maar ze voegde eraan toedat ze echtgenote was en moeder van jonge kinderen. 'Wat fijn dat je datzegt', reageerde de voorzitter, ook een dame. 'Hebben de heren ook nog ietsanders dan hun werk?' Betrapt en beschaamd corrigeerden wij mannen onzenalatigheid, en vertelden met enigszins aangedikt enthousiasme overeventuele partners en kinderen en hoe betrokken we ons wel voelden bij hen.
Ik volg een studieprogramma aan de Academia Vitae. Dat is een initiatiefvan de Rotterdamse economiehoogleraar Arjo Klamer, die vindt dat er in deeeuwen voor ons erg veel is nagedacht en geschreven waar wij geen besefmeer van hebben. 'Naar de bronnen', roept hij vaak. Het programma is voormij een soort mentale fitness, een manier om mijn denk- en leerspieren inconditie te houden. En dat gebeurt. Bestudeer Plato's dialoog Phaedrus, waseen opdracht. Wat lees je daarin dat voor je leven en werk van belang is,en bespreek dat binnen je werkgroep. Daar zitten andere niet-zo-prillemensen in, die al een tijdje verantwoordelijkheden dragen en bekend zijnmet het spanningsveld tussen wat je zou willen en wat er kan.
Dat levert boeiende gesprekken op, en meer dan dat. Het leidt er voormij ook toe dat ik de volgende maandagochtend eens een paar dingen andersga aanpakken.
Zo verging me dat ook met het lezen van Aristoteles' Ethica. Een deeldaarvan gaat over vriendschap. Misschien is het beter te spreken overrelaties, de manieren waarop we iets met elkaar hebben. Er zijn driesoorten, zegt Aristoteles. Relaties om het nut, of 'wat heb ik aan jou'.Relaties voor plezier en genoegen, of 'vind ik jou leuk'. En die 'tussengoede mensen' - de enige vorm die wij nu vriendschap zouden noemen. Dat isde vriendschap 'vanwege de voortreffelijkheid', omdat we aan elkaar bewezenhebben dat we te vertrouwen zijn. Het nastreven van nut of genoegen alsdoel op zich is iets voor een lager soort mensen, zegt Aristoteles;voortreffelijke mensen zijn vrienden omwille van de persoon van de ander;zij zijn 'vrienden zonder meer'.
Toch heeft ook die vriendschap wel een opbrengst, namelijk aanzien. Datgeldt in de persoonlijke sfeer, maar vooral binnen de politiekegemeenschap, de polis. Voor Aristoteles was dat de stadstaat, Athene. Diehebben wij niet meer, wij leven binnen andere verbanden. En zo sprongAristoteles mijn wereld binnen, want ik bedacht ineens dat voor heel veelmensen de polis, de relevante gemeenschap, ligt in hun werk, hun bedrijf,hun organisatie. Daar komen ze anderen tegen met wie ze samen werken aaneen zinvol gemeenschappelijk doel; daar is de plek waar ze waardering hopente oogsten, en het gevoel te krijgen dat ze als medewerker en als mens eenbeetje voortreffelijk zijn. Daar ligt de oorsprong van hun aanzien, endaardoor kunnen zij zich waardevol voelen. Daarom ook, vermoed ik, gebeurthet zo vaak dat mensen zichzelf kenbaar maken met hun functie en hunbedrijf, zo ik hier in het begin ook beschreef. Door ons zo voor testellen, stellen wij iets voor. Zo kan ik ook beter begrijpen dat het juisteen vrouw was die begon met te zeggen dat ze ook echtgenote en moeder was,en dat ook een vrouw vroeg of de aanwezige mannen toevallig ook echtgenooten vader waren. Ging het over een persoonlijk onderwerp als haar dierbaren,of over andere aspecten van aanzien? Dat zegt Aristoteles ook wel mooi.Moeders ontlenen meer aanzien aan hun kinderen dan vaders. Ze hebben ermeer moeite voor gedaan, en ze weten zekerder dat ze van hen zijn. Vandaardat de mannen in het kennismakingsrondje zich een beetje ongemakkelijkvoelden. Hun aanzien kwam ergens anders vandaan.
Aanzien dus, daar doen we het voor als we het niet voor nut of plezierdoen. Dat werpt een perspectief op de treurigheid van het leven in sommigeorganisaties. Ook in de stadstaat Nederland trouwens, maar dat is eenverhaal op zich. We geven elkaar geen aanzien meer. Op zijn best geven weelkaar nut in de vorm van beoordelingen en prestatiebonussen, en genot inde vorm van kantoorborrels of bedrijfsuitjes. Aanzien, de valuta van devoortreffelijkheid, hebben we afgeschaft. Want wie zegt ooit nog oprechten zonder bijbedoeling tegen een collega 'Ik heb je daar iets werkelijkbijzonders zien neerzetten. Knap gedaan!' We belonen uitsluitend in de vormdie een lager soort mensen aanspreekt. Slecht geld verdrijft goed geld,zegt Greshams wet. Is het vreemd dat voortreffelijkheid verdrongen raaktdoor nutsdenken en hedonisme? Waar aanzien niet meer te krijgen is, ga ikvoor het geld en het genot dat wel in de aanbieding is. Zo wordt wie alleenvarkensvoer te eten krijgt, vanzelf een varken.
Nog iets over de Ethica. Het is een gotspe dat leken als ik zich eenmening aanmeten over zulke verheven teksten, zeker als we pretenderen datte doen onder de vlag van een Academie. Dat lijkt althans de mening te zijnvan ten minste één vakwetenschapper, professor Arnold Heertje, in eeninterview over de Academia Vitae in Nova. Dat is jammer. Hij vindt hetvermoedelijk wel goed als ik me bezighoud met eigentijdse wijzen als Covey,Kotter of Collins, daar iets van vind en dat in praktijk breng. Maar nietAristoteles. Dat is een vak geworden met schotten eromheen, een beslotenspeeltuin voor specialisten. Verboden voor onbevoegden, niet blootstellenaan de buitenwereld. Nogmaals, dat is jammer, want hij blijkt na ruim 24eeuwen nog veel gedachten in beweging te kunnen brengen, zelfs als het nietde academische bedoeling is die te hebben. En niet slechts gedachten, ookdaden. Want dankzij hem ben ik sinds enkele weken meer bezig met aanzien.Ik geef het, en ik ben me er meer van bewust als ik het ontvang. De wereldom mij heen wordt er iets voortreffelijker door.